De rechtsplegingsvergoeding heeft zich inmiddels stevig gevestigd als instrument om de kosten van gerechtelijke procedures te structureren, ook in strafzaken. Wanneer een burgerlijke partij als enige hoger beroep instelt en in het ongelijk wordt gesteld, rijst de vraag in welke mate zij het risico loopt te worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de beklaagde. De wetgever heeft dat risico bewust niet absoluut gemaakt: de veroordeling is facultatief en laat ruimte voor rechterlijk maatwerk.
1. Wettelijk kader: art. 162bis, tweede lid Sv. en art. 1022 Ger.W.
In strafzaken verwijst de regeling van de rechtsplegingsvergoeding naar het gemeen procesrecht. Artikel 162bis, tweede lid, Sv. bepaalt dat de burgerlijke partij die als enige hoger beroep heeft ingesteld en in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding als bedoeld in artikel 1022 Ger.W.
Twee elementen zijn daarbij essentieel:
Pas wanneer beide voorwaarden vervuld zijn, komt de rechtsplegingsvergoeding in beeld. Maar zelf dan nog is de veroordeling niet automatisch.
2. Facultatief karakter van de veroordeling
De wetgever heeft bewust gekozen voor het werkwoord “kan”. Dit drukt uit dat het niet gaat om een verplichting, maar om een bevoegdheid van de rechter. De veroordeling van de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij is dus geen recht van de beklaagde dat automatisch moet worden gehonoreerd, maar een mogelijkheid die de rechter al dan niet benut in functie van de concrete omstandigheden van de zaak.
De rechter in hoger beroep beschikt daarmee over een ruime beoordelingsmarge. Hij mag beslissen om géén rechtsplegingsvergoeding toe te kennen, ook al zijn de formele toepassingsvoorwaarden vervuld. Omgekeerd kan hij, wanneer dat aangewezen lijkt, wél tot veroordeling overgaan.
3. Onaantastbare appreciatie van de feitenrechter
De beoordeling of er in het licht van de omstandigheden van het geval grond is om de burgerlijke partij tot een rechtsplegingsvergoeding te veroordelen, behoort tot de onaantastbare feitenappreciatie van de strafrechter in hoger beroep.
Dat betekent concreet:
-
• De rechter weegt de relevante procesomstandigheden af (verloop van de procedure, houding van de partijen, complexiteit van de zaak, maatschappelijk belang, enz.).
-
• Op basis daarvan beslist hij of het billijk is de burgerlijke partij de last van een rechtsplegingsvergoeding op te leggen.
-
• Die beslissing wordt door het Hof van Cassatie slechts marginaal getoetst: het gaat enkel na of uit de vaststellingen geen gevolgen worden afgeleid die daarmee onmogelijk kunnen worden verantwoord.
De rol van cassatie blijft dus beperkt tot een rechtscontrole op de gehanteerde rechtsopvatting; de opportuniteitsafweging blijft het exclusieve terrein van de feitenrechter.
4. Relevante omstandigheden voor het al dan niet opleggen van een rechtsplegingsvergoeding
Omdat de veroordeling facultatief is, ligt de nadruk op de concrete omstandigheden van het dossier. Zonder limitatief te willen zijn, kunnen onder meer een rol spelen:
-
• de kwaliteit, grondigheid en voortvarendheid van het vooronderzoek;
-
• de vraag of bepaalde procedurele of inhoudelijke gebreken in hoger beroep nog konden worden verholpen;
-
• de reden waarom de burgerlijke partij hoger beroep instelt (louter proces-chicaneren versus reële bekommernis om waarheidsvinding of schadeherstel);
-
• de mate waarin de burgerlijke partij redelijkerwijze kon inschatten dat haar hoger beroep weinig kans op slagen had;
-
• de algemene billijkheid van een bijkomende financiële last, gelet op de reeds gelopen procedure en eventueel geleden schade.
De rechter kan op basis van dergelijke elementen besluiten dat een rechtsplegingsvergoeding gepast is om lichtzinnig procederen te ontmoedigen, maar evengoed dat ze juist niet aangewezen is omdat zij een reeds bestaande onevenwichtigheid of onrechtvaardigheid nog zou vergroten.
5. Motivering en grenzen van het rechterlijk beleid
Hoewel de feitenrechter een ruime beoordelingsvrijheid geniet, ontslaat dit hem niet van de motiveringsplicht. De beslissing om al dan niet een rechtsplegingsvergoeding op te leggen, moet worden gedragen door redenen die:
-
• aansluiten bij de concrete vaststellingen van de zaak;
-
• coherent zijn met het wettelijke facultatieve karakter van artikel 162bis, tweede lid, Sv.;
-
• niet berusten op een onjuiste rechtsopvatting (bijvoorbeeld alsof de veroordeling verplicht zou zijn zodra de burgerlijke partij in het ongelijk wordt gesteld).
Cassatie kan ingrijpen wanneer de rechter een verkeerde rechtsopvatting hanteert – bijvoorbeeld door de facultatieve bevoegdheid in feite om te vormen tot een automatisme – of wanneer de aangevoerde redenen manifest niet kunnen dragen dat geen rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend.
6. Praktische implicaties voor de processtrategie van de burgerlijke partij
Voor de burgerlijke partij die overweegt als enige hoger beroep in te stellen, vloeien hieruit enkele belangrijke aandachtspunten voort:
-
• Zij draagt een reëel kostenrisico, maar geen absoluut: de veroordeling tot rechtsplegingsvergoeding is mogelijk, niet verplicht.
-
• De kans op een veroordeling neemt toe naarmate het hoger beroep lichtzinniger, kennelijk kansloos of louter tactisch oogt.
-
• Omgekeerd kan het uitblijven van een veroordeling worden gerechtvaardigd door omstandigheden die maken dat de burgerlijke partij in redelijkheid hoger beroep mocht instellen, bijvoorbeeld om structurele onvolkomenheden in het onderzoek te doen rechtzetten of te proberen recht te doen aan een ernstig schadeverhaal.
Slotbeschouwing
De regeling van artikel 162bis, tweede lid, Sv. balanceert tussen twee doelstellingen: enerzijds het beschermen van de in het gelijk gestelde beklaagde tegen de kosten van ongefundeerde hoger beroepen van de burgerlijke partij, anderzijds het openhouden van een reële toegang tot de strafrechter voor slachtoffers die hun rechten willen doen gelden. Door de veroordeling tot rechtsplegingsvergoeding een facultatief karakter te geven en de feitenrechter een ruime appreciatiemarge toe te kennen, biedt de wet een flexibel instrument dat toelaat om in elke concrete zaak een evenwichtige oplossing te zoeken.