De verhouding tussen een OCMW en een huurder verschilt fundamenteel van die tussen twee particuliere contractanten. Ook wanneer een OCMW een woning verhuurt via een privaatrechtelijke huurovereenkomst, blijft het een overheid die gebonden is aan de grondrechten van haar huurders en aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Het recht op behoorlijke huisvesting, verankerd in artikel 23 van de Grondwet, speelt in deze context een centrale rol. Het OCMW mag dat recht niet uithollen door een huurder uit een door haar beheerde woning te zetten zonder dat daarvoor een legitieme en proportionele reden bestaat.
De bijzondere aard van een huurovereenkomst die door een OCMW wordt aangeboden, heeft tot gevolg dat men niet automatisch terugvalt op het gemeen woninghuurrecht. Overheden beschikken over een wettelijke basis om specifieke huurstelsels te ontwikkelen, waarbij de huurprijs en woonzekerheid worden afgestemd op de noden van sociaal kwetsbare huurders. Zulke overeenkomsten worden vaak beschouwd als contracten van onbepaalde duur in een eigen, publiekrechtelijke zin: niet volledig gelijk aan privaatrechtelijke contracten, en zeker niet naar believen opzegbaar. Hieruit volgt dat de overheid alleen tot beëindiging kan overgaan wanneer de huurder niet langer voldoet aan haar verplichtingen, of wanneer zwaarwichtige redenen zich opdringen. Een louter formele opzeg om organisatorische redenen volstaat niet.
Wat het OCMW vooral onderscheidt van een particuliere verhuurder, is dat het bij elke handeling rekening moet houden met het grondrecht op wonen en met de maatschappelijke positie van de huurder. Dat recht werkt in deze verhouding als een afweerrecht: de overheid moet zich onthouden van maatregelen die ertoe leiden dat een persoon diens woonst verliest, tenzij er dwingende en legitieme redenen bestaan én de maatregel proportioneel is. Voorbeelden van relevante factoren zijn de leeftijd van de huurder, de beschikbaarheid van alternatieve huisvesting, de financiële draagkracht en de algemene situatie op de huurmarkt. Zeker in situaties waar de woningnood hoog is en betaalbare alternatieven schaars zijn, kan een uithuiszetting disproportioneel zijn.
Daarnaast draagt het OCMW een actieve plicht om mee te zoeken naar oplossingen. Dat kan gaan van het aanbieden van hulp bij het vinden van een andere woning, tot het aanvragen van versnelde toewijzing van een sociale woning of het benutten van andere instrumenten die de regelgeving ter beschikking stelt. Doet het OCMW dat niet, dan miskent het zijn inspanningsverbintenis en handelt het in strijd met de grondrechten van de betrokken huurder.
Het recht op wonen wordt niet alleen nationaal beschermd, maar ook Europees. Artikel 8 EVRM waarborgt de eerbiediging van de woning en verbiedt willekeurige inmenging door de overheid. De overheid moet aantonen dat elke ingreep noodzakelijk is en evenredig in verhouding met het nagestreefde doel. Het verlies van een woning is een bijzonder verregaande inmenging die slechts gerechtvaardigd kan worden in uitzonderlijke omstandigheden.
Wanneer een OCMW een huurder die geen enkele tekortkoming kan worden verweten toch uit de woning wil zetten, zal de rechter nagaan of deze maatregel strookt met het grondrecht op huisvesting, met het behoorlijk bestuur en met de verplichting van de overheid om proportioneel te handelen. Zonder zwaarwegende motivering of zonder bewijs dat alternatieven zijn onderzocht, zal een opzeg of uithuiszetting niet toelaatbaar worden geacht.
Korte samenvatting van de casus
Een tachtigjarige vrouw huurde al twintig jaar een OCMW-woning aan een zeer bescheiden huurprijs. Het OCMW zegde de overeenkomst op, hoewel ze geen tekortkomingen had en geen betaalbaar alternatief vond. De rechter oordeelde dat de huurovereenkomst onder een specifieke OCMW-reglementering viel, die niet zomaar een opzeg toelaat, en dat bovendien het grondrecht op wonen het OCMW verhindert om haar uit de woning te zetten. De rechter benadrukte dat het OCMW geen enkele legitieme reden aanvoerde en ook geen inspanningen had geleverd om een alternatieve woning te zoeken. De zaak werd verdergezet zodat het OCMW alsnog zijn wettelijke verplichtingen kan nakomen.