Het alhier besproken arrest gaat uitvoerig in op de strafrechtelijke kwalificatie van het aannemersgedrag als oplichting. De kernvraag is oud en vertrouwd: wanneer blijft een tekortschietende aannemer binnen het domein van de louter contractuele wanprestatie en vanaf wanneer overschrijdt hij de grens naar strafbare oplichting?
Oplichting veronderstelt niet alleen een benadeling maar ook bedrieglijk opzet en het gebruik van bedrieglijke middelen, waaronder listige kunstgrepen. Louter leugenachtige beweringen of gebrekkig uitgevoerde werken volstaan in beginsel niet om van oplichting te spreken, zeker niet wanneer de opdrachtgever met enige voorzichtigheid de werken had kunnen opvolgen en controleren.
De cassatierechtspraak preciseert echter dat een contractuele wanprestatie wel degelijk oplichting kan uitmaken, wanneer de aannemer – vanaf het sluiten van de overeenkomst – een scenario in scène zet waarin hij zich bedrieglijk gelden laat afgeven zonder de bedoeling de tegenprestatie te leveren.
Het arrest omschrijft een typisch patroon:
– de aannemer eist bij het sluiten van de overeenkomst meteen een (soms hoog) voorschot;
– daarna voert hij ingrijpende afbraakwerken uit, zodat de woning gedeeltelijk onbruikbaar wordt;
– vervolgens vraagt hij, vaak onder druk, bijkomende voorschotten voor zogenaamde meerwerken of materialen, die de klant zich genoodzaakt ziet te betalen om opnieuw een bewoonbare woning te krijgen;
– nadien volgen nauwelijks nog werken of leveringen, tenzij om nieuwe “meerkosten” te kunnen verantwoorden;
– de afgesproken renovatie wordt nooit tot een goed einde gebracht en de materialen die volgens de facturen betaald zijn, worden niet of slechts gedeeltelijk geleverd;
– ten slotte blijkt uit het financieel onderzoek dat de ontvangen gelden grotendeels naar privé-uitgaven vloeien en niet naar de uitvoering van de werken.
In zo’n context mag de rechter oordelen dat de aannemer van bij de aanvang niet de bedoeling had om tegenprestaties van aanvaardbare waarde te leveren, of minstens een onaanvaardbaar ernstig risico op niet-uitvoering bewust voor de klant verborgen hield. De afgifte van de gelden is dan niet langer het gevolg van een ongelukkige commerciële relatie, maar van een doordachte enscenering: een listige kunstgreep in strafrechtelijke zin.
Cassatie bevestigt dat een dergelijke handelwijze de kwalificatie oplichting rechtvaardigt. Dat de wanprestaties zich pas na de betaling van het voorschot manifesteren, doet daaraan geen afbreuk als blijkt dat het bedrieglijk opzet al bij het sluiten van de overeenkomst aanwezig was en bewust werd gecamoufleerd.
Aandachtspunt voor de praktijkjurist:
In geschillen over oplichting door aannemers is het essentieel om het gedrag in zijn geheel te analyseren: gaat het om slechte uitvoering of om een vooraf bedacht patroon van voorschotvragen, afbraakwerken, druk en niet-uitvoering? Dat totaalbeeld bepaalt of de strafrechter de sprong maakt van contractbreuk naar oplichting.
Niet elke slechte aannemer is een oplichter, maar wie systematisch ensceneert en voorschotten afperst zonder werkelijk te willen presteren, loopt wél het risico strafrechtelijk te worden gekwalificeerd als bedrieger.