Conventionele erfdienstbaarheden van doorgang blijven in de praktijk een veelvoorkomende bron van discussie tussen eigenaars van aanpalende percelen. Vooral bij oude vestigingstitels, vaak daterend uit een periode waarin mobiliteit en perceelsindeling er heel anders uitzagen, rijst de vraag hoe deze erfdienstbaarheden vandaag moeten worden geïnterpreteerd en uitgeoefend. Dit artikel bespreekt de belangrijkste principes die richtinggevend zijn voor de beoordeling van dergelijke geschillen, zonder verwijzing naar een concrete casus.
1. De vestigingstitel als primaire rechtsbron
Een conventionele erfdienstbaarheid vindt haar oorsprong in een overeenkomst tussen partijen, die meestal wordt vastgelegd in een akte of plan van afpaling. De inhoud van de last – onder meer de locatie, breedte en modaliteiten van gebruik – wordt bepaald door deze titel.
De rechter is bindend gebonden aan wat de partijen destijds hebben overeengekomen. Zelfs wanneer de feitelijke toestand in de loop van de tijd is geëvolueerd, blijft de oorspronkelijke vestigingstitel richtinggevend, tenzij:
1. de partijen nadien een wijziging zijn overeengekomen,
2. een erfdienstbaarheid door bestemming van de eigenaar zou zijn ontstaan, of
3. een recht kan worden afgeleid uit verkrijgende verjaring (wat bij louter gedogen uitgesloten is).
Een jarenlang feitelijk ruimer gebruik dan voorzien in de titel creëert op zichzelf geen uitbreiding van de last, zolang dit gebruik niet gepaard gaat met een ondubbelzinnige, voortdurende en niet-gedoogde uitoefening van een zakelijk recht.
2. Functionele interpretatie en technologische evoluties
De vraag rijst vaak of een erfdienstbaarheid die historisch bedoeld was voor voetgangers, dieren of karren, vandaag moet worden aangepast aan moderne voertuigen. De rechtsleer en rechtspraak erkennen dat de functionaliteit van een erfdienstbaarheid mee kan evolueren met de tijd, zolang deze evolutie:
-
• binnen de grenzen van de titel blijft,
-
• geen verzwaring van de last op het lijdend erf veroorzaakt, en
-
• redelijkerwijze noodzakelijk is voor een normaal gebruik van het heersend erf.
Deze functionele interpretatie kan echter nooit verplichten tot het aanbieden van bijkomende oppervlakte wanneer het lijdend erf fysiek niet breder is dan de in de titel voorziene breedte. De eigenaar van het lijdend erf kan slechts gehouden worden tot het ter beschikking stellen van de ruimte die hij contractueel heeft moeten prijsgeven, niet meer.
3. Feitelijk ontstaan van bredere doorgangen: geen bron van recht
In de praktijk ontstaat vaak een bredere toegang doordat twee aanpalende eigenaars gedurende lange tijd grond naast elkaar gebruiken als doorgang. Dit kan aanleiding geven tot een ruimere feitelijke ontsluiting, maar deze situatie heeft geen juridische consequentie wanneer:
-
• geen titel van mede-eigendom bestaat;
-
• geen vaststaande afspraak kan worden bewezen die een gemeenschappelijke “losweg” tot stand bracht;
-
• het gebruik door minstens één partij louter gedoogd werd;
-
• geen publiek gebruik kan worden aangetoond dat zou wijzen op een publieke erfdienstbaarheid.
Zonder duidelijke rechtsgrond kan een dergelijke feitelijke toestand niet worden omgezet in een zakelijk recht.
4. Het recht op afsluiting als uitvloeisel van het eigendomsrecht
Het eigendomsrecht omvat de bevoegdheid om de eigen grond af te sluiten. Dit kan worden beperkt door:
-
• bestaande erfdienstbaarheden,
-
• wettelijke beperkingen, of
-
• het verbod op rechtsmisbruik.
Een afsluiting die de doorgang volgens de vestigingstitel intact laat, is in beginsel geoorloofd. De eigenaar van het lijdend erf mag maatregelen nemen om ongewenst gebruik, vooral door gemotoriseerd verkeer, te weren, op voorwaarde dat:
-
• de erfdienstbaarheid zelf volledig vrij blijft,
-
• de uitoefening van het recht van doorgang niet onmogelijk wordt, en
-
• de afsluiting proportioneel en gemotiveerd is.
Het vervangen van lichtere maatregelen (bijvoorbeeld wegneembare paaltjes) door een vaste afsluiting is niet onredelijk wanneer eerdere maatregelen werden omzeild of beschadigd.
5. Rechtsmisbruik: wanneer gaat de afsluiting te ver?
Rechtsmisbruik doet zich voor wanneer een recht wordt uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen van het normale gebruik overschrijdt. Vier klassieke vormen van rechtsmisbruik worden onderscheiden:
1. Uitoefening met het enige doel schade te berokkenen.
2. Uitoefening zonder redelijk belang, terwijl er schade wordt veroorzaakt.
3. Uitoefening op een voor de titularis nuttige, maar voor de ander nadelige wijze, terwijl een even nuttige maar minder schadelijke wijze beschikbaar was.
4. Een duidelijke wanverhouding tussen het voordeel voor de titularis en het nadeel voor de andere partij.
Bij afsluitingen is het cruciaal om te beoordelen:
-
• of de afsluiting een legitiem doel dient (veiligheid, privacy, bescherming van eigendom),
-
• of de alternatieven werkbaar en even doeltreffend waren,
-
• of de erfdienstbaarheid in natura kan worden uitgeoefend zoals voorzien in de titel.
Wanneer de afsluiting de erfdienstbaarheid zelf niet hindert, is rechtsmisbruik moeilijk aan te tonen.
6. Declaratoire vorderingen rond toekomstige uitoefening
Sommige partijen vragen preventieve of negatieve declaratoire uitspraken, bijvoorbeeld een voorafgaand verbod om een erfdienstbaarheid ooit te verzwaren of uit te breiden. Een rechter kan echter slechts uitspraak doen over een bestaand geschil en kan geen toekomstige hypothetische vorderingen op voorhand ongeldig verklaren.
Het uitsluiten van toekomstige rechtshandelingen of procedures is in strijd met de toegang tot de rechter en de rechtszekerheid.
7. Conclusie
Conventionele erfdienstbaarheden worden strikt geïnterpreteerd volgens hun vestigingstitel. Feitelijke bredere doorgangen, zelfs wanneer zij jarenlang werden gebruikt, creëren geen zakelijk recht zonder duidelijke rechtsgrond. Het lijdend erf behoudt een ruime vrijheid om zijn perceel af te sluiten, op voorwaarde dat de gevestigde erfdienstbaarheid wordt gerespecteerd en geen rechtsmisbruik wordt gepleegd. Een zorgvuldig evenwicht tussen contractuele bepalingen, eigendomsrecht en proportionaliteit blijft hierbij essentieel.