De regel van openbare orde volgens welke de behandeling van een burgerlijke vordering moet worden geschorst zolang niet definitief is beslist over een hangende strafvordering, berust op het beginsel dat de strafrechterlijke beslissing gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de punten die zowel in de strafzaak als in de burgerlijke procedure aan bod komen. Dit gezag van gewijsde veronderstelt dat beide vorderingen gemeenschappelijke elementen vertonen die aanleiding kunnen geven tot tegenstrijdige beslissingen indien zij afzonderlijk en gelijktijdig worden behandeld.
De schorsingsplicht geldt evenwel niet automatisch bij elke strafrechtelijke procedure die parallel loopt met een burgerlijk geschil. De rechter moet nagaan of daadwerkelijk gevaar bestaat voor onverenigbaarheid tussen de uitkomst van de strafvordering en de beoordeling van de burgerlijke vordering. Slechts wanneer dat gevaar reëel is, ontstaat de verplichting om de burgerlijke rechtspleging te schorsen.
Bij deze beoordeling speelt niet alleen de inhoud van de strafrechtelijke aantijgingen een rol, maar ook de mate waarin deze aantijgingen raakpunten vertonen met de burgerlijke rechtsverhouding. Misdrijven of feiten die in een geheel andere feitelijke of juridische context spelen en geen impact hebben op de geschilpunten van het burgerlijk geding, doen de schorsingsplicht niet ontstaan. Dat de strafprocedure voor een partij mogelijk financiële of andere gevolgen kan hebben, is als dusdanig ontoereikend. Enkel wanneer de feiten die in de strafprocedure aan de orde zijn, rechtstreeks betrekking hebben op de elementen die in het burgerlijk geding moeten worden beoordeeld, is schorsing aangewezen.
De partijen die in de strafzaak betrokken zijn, hoeven niet samen te vallen met die in de burgerlijke procedure. De essentie is dat het risico op tegenstrijdige rechterlijke uitspraken wordt vermeden. Zodra de strafvordering punten behandelt die beslissend kunnen zijn voor het burgerlijke geschil, moet de burgerlijke rechter de behandeling uitstellen tot een definitieve strafrechtelijke beslissing voorligt.
De feitenrechter beschikt over een beoordelingsmarge bij de inschatting van dit risico. Hij moet de inhoud van de strafprocedure onderzoeken, deze aftoetsen aan de voorliggende burgerlijke vordering en vaststellen of relevante gemeenschappelijke punten bestaan. Enkel wanneer zijn beoordeling onwettig is of voortvloeit uit een onjuiste rechtsopvatting, kan cassatie volgen.
Deze rechtspraak bevestigt dat de schorsing van het burgerlijk geding een uitzondering vormt die niet lichtvaardig mag worden ingeroepen. Het principe dat “het strafrecht het burgerlijk recht in de wacht houdt” blijft overeind, maar uitsluitend binnen de grenzen van zijn rationele verantwoording: het voorkomen van tegenstrijdige rechterlijke beslissingen over dezelfde kernpunten van een geschil.
zie ook: www.elfri.be - Rechtspraak - Le criminel tient le civil en état-gevaar voor tegenstrijdigheid