De regeling van de devolutieve werking van het hoger beroep in procedures van gerechtelijke vereffening en verdeling heeft een uitzonderingskarakter en strekt zich niet uit tot geschillen die buiten het strikte kader van de notariële werkzaamheden vallen. Wanneer partijen in het kader van de vereffening en verdeling een afzonderlijke vordering instellen — zoals een vordering tot toekenning van een voorschot op de te verdelen massa — betreft dit een nevenprocedure die autonoom wordt gevoerd en waarvoor de gemeenrechtelijke regels inzake bevoegdheid onverkort gelden.
De devolutieve werking zoals voorzien in de specifieke regeling voor hoger beroep binnen de gerechtelijke vereffening en verdeling is beperkt tot het eigenlijke vereffenings- en verdelingsgeschil. Het hof van beroep neemt in dat kader de volledige zaak over, met uitsluiting van vorderingen die partijen zelf buiten de notariële fase kunnen of moeten instellen. Dergelijke vorderingen vallen bijgevolg niet onder de bijzondere regeling en worden niet meegetrokken door een ingesteld hoger beroep tegen eerdere beslissingen binnen het traject van de vereffening en verdeling.
Het onderscheid vloeit voort uit de aard van deze nevenprocedures. Ze betreffen geschilpunten die, hoewel nauw verbonden met de vereffening en verdeling, geen deel uitmaken van de door de notaris te voeren werkzaamheden en evenmin ruimte laten voor initiatief- of inspraakrechten van de notaris-vereffenaar. De afhandeling ervan heeft geen impact op de voortgang van de notariële fase en brengt evenmin een vertraging van de verdeling met zich mee. Om die reden vallen dergelijke procedures buiten het toepassingsgebied van de uitzonderlijke devolutieve werking.
De regels van gerechtelijke organisatie vereisen dat de rechter in hoger beroep ambtshalve nagaat of hij bevoegd is, nu de devolutieve werking een bepaling van openbare orde betreft. Partijen kunnen hiervan niet afwijken en een procedureel akkoord kan de wettelijke organisatie van de rechtspleging niet doorkruisen. Waar een vordering uitsluitend tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg behoort, kan het hof van beroep niet worden gevat.
Het gevolg is dat een vordering tot toekenning van een voorschot op de te verdelen gemeenschap niet rechtstreeks bij het hof van beroep kan worden ingesteld wanneer reeds elders binnen de procedure hoger beroep is ingesteld tegen een ander beslissingselement. Deze vordering moet aanhangig worden gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg, die de residuaire bevoegdheid behoudt voor alle geschillen die niet uitdrukkelijk aan een hogere rechter zijn toegewezen.
Deze afbakening waarborgt dat de uitzonderlijke devolutieve werking beperkt blijft tot haar doelstelling: het centraliseren van de beoordeling van de eigenlijke vereffenings- en verdelingsgeschillen, zonder het bereik ervan uit te breiden tot alle mogelijke procedurele vertakkingen die partijen parallel kunnen initiëren.