Begrip Energiefraude
Artikel 1.1.3., 40° /1 e) en f) van het Energiedecreet omschrijft energiefraude als volgt:
«elke onrechtmatige actie van eenieder, zowel actief als passief, die gepaard gaat met het verkrijgen van een onrechtmatig voordeel. Daaronder wordt minstens verstaan:
...
e) informatie bezorgen die niet consistent of in overeenstemming met de werkelijkheid is in het kader van de aanvraag van groenestroomcertificaten of warmte-krachtcertificaten of van de rapportering van meetgegevens die aanleiding geven tot het toekennen van groenestroomcertificaten of warmte-krachtcertificaten;
f) informatie bezorgen die niet consistent of in overeenstemming met de werkelijkheid is in het kader van subsidie- of premieaanvragen in uitvoering van dit decreet of zijn uitvoeringsbesluiten;»
Artikel 5.1.3., 2° van het Energiedecreet luidt als volgt:
«als vaststaat dat er energiefraude als vermeld in artikel 1.1.3, 40° /1, e) of f), van dit decreet, wordt gepleegd of is gepleegd, wordt de uitbetaling definitief stopgezet en wordt de steun teruggevorderd die onterecht is uitgekeerd.»
Energiefraude vormt een autonoom begrip binnen het administratief handhavingsrecht en staat volledig los van het misdrijf fraude. Voor de vaststelling ervan is geen bedrieglijk opzet vereist: reeds het louter verstrekken van niet-consistente of onwaarachtige informatie volstaat.
Dat energiefraude een autonoom begrip is brengt me dat dit begrip geen uitstaan heeft met het misdrijf fraude en dat ook geen bedrieglijk opzet of intentie tot frauderen vereist.
Opdat er sprake is van energiefraude volstaat het louter bezorgen van niet-consistente of onwaarachtige informatie. Het begrip energiefraude is een zeer ruim geformuleerd begrip dat zelfs geen actief handelen in hoofde van de begunstigde van de minimumsteun vereist. V
an energiefraude is er sprake wanneer foutief opgegeven informatie in de aanvraag tot toekenning van GSC en/of minimumsteun gepaard gaat met het onterecht verkrijgen van minimumsteun, los van de vraag of de begunstigde van de minimumsteun opzettelijk gehandeld heeft, en los van de vraag wie uiteindelijk verantwoordelijk is voor de energiefraude. De foutieve informatie kan bestaan uit de opgave van een onjuiste datum van ingebruikname of van het voegen van een niet-waarheidsgetrouw AREI-keuringsattest.
De onjuistheid van de informatie kan worden afgeleid uit luchtfoto’s (als die bijvoorbeeld geen PV-installatie tonen op de opgegeven datum van ingebruikname), uit de productiedatum van één of meerdere onderdelen van de zonnepaneleninstallatie, uit de opstartdatum van omvormers, uit onmogelijke productiewaarden, uit de aanwezigheid van een AREI-keuringsattest dat kennelijk niet voldoet aan de vereisten van artikel 270 AREI en/of de nota’s 71, 72 en 72bis van de FOD Economie of uit andere feitelijke elementen.
Omdat deze bepaling de openbare orde raakt, is zij ook retroactief van toepassing op feiten van energiefraude die zich hebben voorgedaan voor de invoering ervan.
FLUVIUS beschikt daarenboven ook op basis van artikel 57 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit en artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 over de bevoegdheid tot terugvordering van ten onrechte uitbetaalde subsidies.
De omschrijving is bewust ruim gehouden zodat ook passieve gedragingen onder het toepassingsbereik vallen en de onwaarheid van gegevens kan worden afgeleid uit uiteenlopende feitelijke elementen zoals productiedata, luchtfoto’s, technische gegevens of gebreken in keuringsattesten. Zodra foutieve informatie heeft geleid tot het verkrijgen van steun, is er sprake van energiefraude, ongeacht de bedoeling of de rol van de begunstigde.
Terugvordering
Op basis van artikel 5.1.3 § 1, 2° van het Energiedecreet en artikel 57 van de Wetten op de Rijkscomptabiliteit dient de netbeheerder de uitbetaling van steun stop te zetten en onterecht uitgekeerde steun terug te vorderen als er energiefraude in de zin van artikel 1.1.3, 40° /1, e) of f) van hetzelfde decreet wordt vastgesteld.
De gebonden bevoegdheid tot terugvordering
Wanneer energiefraude wordt vastgesteld, beschikt de overheid over een gebonden bevoegdheid: zij moet de uitbetaling stopzetten en alle onterecht toegekende steun terugvorderen. De regeling is van openbare orde en geldt ook voor feiten van vóór haar invoering. De terugvordering steunt op een autonome administratiefrechtelijke basis en niet op het aansprakelijkheidsrecht of op regels inzake onverschuldigde betaling. Dit heeft tot gevolg dat de verjaring pas begint te lopen vanaf de dag volgend op de vaststelling van de energiefraude, omdat pas dan aan alle toepassingsvoorwaarden van de terugvorderingsvordering is voldaan. De eerdere uitbetalingen blijven op dat moment voorzien van een rechtsgrond, zodat zij niet als onverschuldigd kunnen worden aangemerkt.
Onmogelijkheid om alsnog lagere steun te behouden
Een begunstigde die door energiefraude steun verkreeg, kan niet naderhand aanspraak maken op een lager steunbedrag waarop hij eventueel bij een correcte aanvraag recht zou hebben gehad. De volledige steun is onterecht toegekend en moet integraal worden terugbetaald. Hypothetische scenario’s over wat de begunstigde bij correcte handelwijze had kunnen bekomen, zijn juridisch niet relevant. De leer van het rechtmatig alternatief, die in het aansprakelijkheidsrecht wordt gebruikt om schade te begroten door de feitelijke situatie te vergelijken met een hypothetische rechtmatige situatie, is hier niet van toepassing. De terugvordering is geen schadebegroting maar een administratieve correctie van een onterecht verkregen voordeel.
Beginselen van behoorlijk bestuur
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen slechts worden ingeroepen wanneer de overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Bij energiefraude is dat niet het geval: de overheid is verplicht tot terugvordering zodra de feiten vaststaan. Het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel biedt de begunstigde dus geen bescherming. Zelfs wanneer eerdere handelingen van de overheid verwachtingen zouden hebben gewekt, kan hiervan niet worden afgeweken wanneer de wet een gebonden bevoegdheid tot terugvordering oplegt.
Verjaring en 2277 oud BW
Op basis van artikel 2227 van het oud Burgerlijk Wetboek zijn de Staat, de openbare instellingen en de gemeenten aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere personen en kunnen zij zich eveneens daarop beroepen. Volgens artikel 2262bis, § 1, eerste lid van het oud Burgerlijk Wetboek verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen door verloop van tien jaar. Deze termijn begint daags na het opeisbaar worden van de aanspraak te lopen.
Verjaring en rechtszekerheid
Dat de verjaringstermijn pas begint te lopen bij de vaststelling van de energiefraude, is niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel of de rechtszekerheid. Ook in andere domeinen, zoals de buitencontractuele aansprakelijkheid of voortgezette misdrijven, vangt de verjaring pas aan wanneer alle toepassingsvoorwaarden vervuld zijn of het misdrijf een einde neemt. De regeling inzake energiefraude sluit aan bij deze bredere juridische logica en vormt een gerechtvaardigde afwijking om het ontradend effect van het administratief handhavingsrecht te waarborgen.
Rechtmatig alternatief
In het aansprakelijkheidsrecht geldt de regel dat men voor het vaststellen en begroten van de schade die is ontstaan ten gevolge van een onrechtmatig handelen, wanneer men de werkelijkheid vergelijkt met de hypothetische toestand waarin de benadeelde zich zou hebben bevinden als de fout niet was begaan, het foutief handelen niet in zijn geheel moet wegdenken, maar slechts het onrechtmatig karakter ervan.
Dit is de leer van het rechtmatig alternatief. Om deze leer te illustreren, kan vertrokken worden van de situatie waarin de bestuurder van een wagen in dronken toestand en/of tegen een onaangepaste snelheid een ongeval veroorzaakt.
Om te beoordelen of en hoeveel schade er werd veroorzaakt doordat de bestuurder van een voertuig dronken en/of met een onaangepaste snelheid reed, moeten de feiten zoals die zich hebben voorgedaan niet vergeleken worden met de situatie waarin de schadeverwekker niet met de wagen reed, maar met de situatie waarin hij nuchter en/of tegen een aangepaste snelheid reed.
FAQ – Energiefraude, terugvordering van steun en behoorlijk bestuur
Wat is energiefraude in het administratief handhavingsrecht?
Energiefraude is een autonoom begrip waarbij al het verstrekken van foutieve, niet-consistente of onwaarachtige informatie volstaat. Er is geen opzet vereist en ook passieve fouten vallen eronder.
Is energiefraude hetzelfde als strafrechtelijke fraude?
Nee. Het begrip staat volledig los van het strafrecht en vereist geen bedrieglijke intentie.
Welke gevolgen heeft de vaststelling van energiefraude?
De overheid moet de uitbetaling van steun stopzetten en alle onterecht toegekende steun terugvorderen. Die verplichting is een gebonden bevoegdheid.
Kan een begunstigde alsnog lagere steun behouden waarop hij bij een correcte aanvraag recht zou hebben?
Nee. Alle steun die op basis van energiefraude werd toegekend, is onterecht. De mogelijkheid dat men bij correcte handelwijze een lagere steun had kunnen verkrijgen, is juridisch irrelevant.
Is de leer van het rechtmatig alternatief van toepassing?
Nee. De terugvordering is een autonome administratiefrechtelijke vordering. Beginselen uit het aansprakelijkheidsrecht spelen hier geen rol.
Vanaf wanneer begint de verjaring te lopen?
De verjaringstermijn begint pas te lopen vanaf de dag nadat de energiefraude werd vastgesteld, niet vanaf de datum van de oorspronkelijke betaling.
Kan men zich beroepen op het vertrouwensbeginsel of andere beginselen van behoorlijk bestuur?
Nee. Bij een gebonden bevoegdheid is geen ruimte voor toepassing van deze beginselen.
Is de regeling retroactief?
Ja. Omdat het om bepalingen van openbare orde gaat, gelden ze ook voor feiten van vóór de invoering ervan.