De wettelijke motiveringsplicht focust op strafbaarheid en straf
Wanneer de strafrechter een veroordelende beslissing uitspreekt, rust op hem een duidelijke verplichting: hij moet de wetsbepalingen vermelden die het feit strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen. Dit volgt uit de klassieke regels van het strafprocesrecht, die willen verzekeren dat een veroordeelde precies weet op basis van welke strafwet hij wordt gestraft en welke wettelijke strafbepaling werd toegepast.
Die verplichting is dus inhoudelijk gericht. Ze heeft betrekking op het strafrechtelijke fundament van de veroordeling: de strafbaarstelling en de strafmaat.
Procedurele bepalingen moeten in principe niet worden vermeld
De rechtspraak preciseert echter dat deze verplichting niet betekent dat de rechter ook alle wetsbepalingen moet vermelden die enkel betrekking hebben op de rechtspleging. Met andere woorden: procedureartikelen hoeven doorgaans niet in de opsomming van toegepaste wetsartikelen te staan.
Dat is logisch vanuit de functie van de wettelijke vermeldingen: de veroordeelde moet kunnen controleren of hij is veroordeeld voor een strafbaar feit en op basis van een wettige straf. Procedureartikelen bepalen meestal niet of iets strafbaar is en leggen evenmin straffen vast. Ze regelen de manier waarop het proces verloopt.
De uitzondering: de Taalwet Gerechtszaken
Er is wel één expliciete uitzondering. De rechter moet de verplichting naleven die voortvloeit uit artikel 41 van de Taalwet Gerechtszaken. Dat is een specifieke, wettelijk opgelegde vermeldingsplicht die net gericht is op taalgebruik en procedure, en die door de wetgever uitdrukkelijk belangrijk werd geacht.
Buiten die uitzondering geldt het algemene principe: procedurebepalingen hoeven niet te worden vermeld.
Artikel 27 V.T. Sv. hoort bij rechtspleging, niet bij strafbaarheid
Artikel 27 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is een typisch voorbeeld van zo’n procedurele bepaling. Het stelt geen gedraging strafbaar en bepaalt geen straf. Het regelt enkel hoe men binnen de strafprocedure omgaat met de overschrijding van de redelijke termijn en welke mogelijke rechtsgevolgen daaraan kunnen worden verbonden.
Omdat artikel 27 niet tot de strafbaarstellende of strafbepalende normen behoort, moet de strafrechter dit artikel dus niet vermelden in zijn veroordelende beslissing.
Niet-vermelding verhindert de controle niet
Een belangrijk praktisch punt is dat de enkele niet-vermelding van artikel 27 de controle door het Hof en door de partijen niet onmogelijk maakt. De partijen kunnen nog steeds nagaan of de rechter de regel correct heeft toegepast. Het Hof kan op zijn beurt nog steeds toetsen of de beslissing wettig is.
Met andere woorden: het gaat niet om een vormvereiste waarvan het ontbreken automatisch een probleem creëert. De wettigheid van de beslissing hangt niet af van het letterlijk opnemen van artikel 27 in de lijst van toegepaste wetsartikelen.