Waarom forfaitaire kostenverdeling soms nodig is
In grote strafonderzoeken gaat het vaak niet om één feit en één verdachte. Meestal zijn er meerdere misdrijven, meerdere telastleggingen en meerdere beklaagden. In zulke dossiers worden onderzoeksdaden uitgevoerd die tegelijk verschillende feiten en verschillende personen betreffen. Daardoor is het in de praktijk vaak onmogelijk om achteraf precies te zeggen welke kosten exact gemaakt zijn voor welk misdrijf of voor welke beklaagde.
Wanneer het strafdossier geen duidelijk zicht geeft op die kostenverdeling, moet de rechter toch een beslissing nemen over de gerechtskosten. Het strafproces kan niet blokkeren omdat de kosten administratief niet uitsplitsbaar zijn.
De rechter mag werken met een forfaitair aandeel
Als uit het dossier niet blijkt welke kosten precies zijn besteed aan welke bewezen verklaarde misdrijven, dan mag de rechter de kosten voor elke beklaagde die hij schuldig verklaart bepalen op een forfaitair gedeelte van de totale kosten. Dat betekent dat de rechter een globaal deel van de totale kosten toerekent aan een beklaagde, zonder een exacte boekhoudkundige uitsplitsing per telastlegging.
Die aanpak is bedoeld als realistische oplossing voor complexe dossiers. Ze erkent dat kosten in zulke onderzoeken vaak “gemeenschappelijk” worden gemaakt en niet in nette vakjes passen.
Er is één harde grens: geen kosten voor vrijgesproken feiten
De forfaitaire berekening heeft wel een duidelijke grens. Ze mag er niet toe leiden dat een beklaagde wordt veroordeeld tot kosten met betrekking tot feiten waarvoor hij is vrijgesproken. Dat blijft de basisbescherming van de beklaagde.
Het is dus toegestaan om een globaal aandeel toe te kennen, maar niet toegestaan om via dat forfait achterpoortjes te creëren waardoor iemand toch zou betalen voor een telastlegging die niet bewezen werd.
In hoger beroep daalt het forfait niet automatisch
Een belangrijk punt is wat er gebeurt in hoger beroep. Het komt regelmatig voor dat de appelrechter minder telastleggingen bewezen verklaart dan de eerste rechter. Intuïtief zou men dan kunnen denken dat ook het forfaitaire aandeel in de kosten automatisch moet dalen.
De rechtspraak zegt echter: dat is niet altijd verplicht. De appelrechter moet in zulke omstandigheden niet steeds het forfaitaire aandeel verminderen. Hij kan namelijk oordelen dat de kosten die hij ten laste legt van de beklaagde ook zonder de weggevallen telastleggingen volledig verklaard kunnen worden door de misdrijven die in hoger beroep wél bewezen zijn gebleven.
Met andere woorden: het aantal bewezen telastleggingen is niet altijd de juiste maatstaf. Soms zijn de bewezen gebleven feiten voldoende ernstig, complex of onderzoeksintensief om de totale (of quasi totale) kosten te dragen, zelfs als bepaalde bijkomende telastleggingen niet langer weerhouden worden.
Het echte criterium blijft: welke feiten veroorzaakten de kosten?
De kern van de redenering is dat kosten moeten worden toegerekend aan wat de strafvordering daadwerkelijk heeft veroorzaakt. Als de appelrechter op andere gronden kan verantwoorden dat de kosten veroorzaakt zijn door de bewezen gebleven misdrijven, dan is het juridisch verdedigbaar dat het forfaitaire aandeel niet vermindert.
De rechter moet daarbij uiteraard vermijden dat hij in feite toch kosten laat dragen voor feiten die uiteindelijk niet bewezen zijn. Maar waar een duidelijke scheidingslijn ontbreekt, mag hij de kosten in redelijkheid blijven koppelen aan de kernfeiten die overeind blijven.