Wanneer een rechter het conditio sine qua non-verband tussen een fout (of wanprestatie) en een schade beoordeelt, moet hij zich een scenario voorstellen waarin het foutieve element uit de feitelijke historiek wordt weggedacht. Daarbij geldt een strikte methoderegel: men mag het foutieve element neutraliseren, maar men mag de overige omstandigheden van het schadegeval niet wijzigen. De vraag is dus niet of de schade “ook op een andere manier had kunnen ontstaan”, maar of zij zich, in dezelfde concrete omstandigheden, ook zou hebben voorgedaan als men enkel het foutieve element wegdenkt.
Die regel krijgt bijzondere scherpte in dossiers waarin de rechter met hypothetische toekomstscenario’s wordt verleid: mogelijke latere beëindigingen, alternatieve keuzes van partijen, of andere gebeurtenissen die zich in werkelijkheid niet hebben voorgedaan. Zulke scenario’s mogen niet dienen om het oorzakelijk verband te ontkrachten wanneer zij neer komen op het herschrijven van de omstandigheden van het schadegeval.
Ontbinding wegens wanprestatie en het doel van schadevergoeding
Bij ontbinding van een overeenkomst wegens contractuele wanprestatie is het uitgangspunt dat de schuldeiser moet worden geplaatst in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de schuldenaar correct had uitgevoerd. Dit “herstel in de hypothetische toestand bij correcte uitvoering” fungeert als richtsnoer voor de begroting van de schade.
Binnen dat kader kan ook vergoeding worden toegekend voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel, op voorwaarde dat dat kansverlies aan de wanprestatie kan worden toegerekend via een conditio sine qua non-verband. Ook bij kansbenadering blijft het causale criterium dus leidend: zonder fout zou de schade zich niet op dezelfde wijze hebben voorgedaan.
Kansverlies en causaliteit: dezelfde toets, andere schadeomschrijving
Het verlies van een kans wordt vaak ingezet wanneer de rechter niet met voldoende zekerheid kan vaststellen hoe de feiten zich zonder fout zouden hebben ontwikkeld. In zo’n situatie wordt de schade niet als het “zeker gederfde voordeel” omschreven, maar als het verlies van de kans om dat voordeel te realiseren. De schadevergoeding wordt dan proportioneel bepaald, in verhouding tot de grootte van die kans.
Maar die techniek verandert niets aan de causale methodiek: ook bij kansverlies moet men het foutieve element wegdenken zonder de rest van de omstandigheden te hertekenen. De contra-feitelijke oefening blijft dezelfde: hoe zou de situatie eruit hebben gezien bij correcte uitvoering, met behoud van alle overige concrete omstandigheden?
Het verbod om de omstandigheden te wijzigen: geen hypothetische alternatieve beëindigingen
Een cruciaal spanningspunt ontstaat wanneer het oorzakelijk verband wordt afgewezen omdat de overeenkomst “mogelijk ook op andere wijze” had kunnen eindigen. Redeneringen die steunen op een loutere mogelijkheid dat de samenwerking later rechtmatig had kunnen worden beëindigd, of dat de benadeelde zelf (rechtmatig of onrechtmatig) had kunnen beëindigen, schuiven hypothetische gebeurtenissen naar voren die zich feitelijk niet hebben voorgedaan. Daarmee verschuift men van “dezelfde omstandigheden zonder fout” naar “andere omstandigheden zonder fout”.
De methoderegel verzet zich daartegen. Het conditio sine qua non-verband kan niet worden ontkend door te verwijzen naar denkbare alternatieve oorzaken of alternatieve toekomstpaden die niet in de concrete historiek besloten liggen. Anders gezegd: men mag niet argumenteren dat een schade niet noodzakelijk door de fout werd veroorzaakt omdat eenzelfde schade zich theoretisch ook op een andere manier had kunnen voordoen. De toets vraagt niet of de schade “had kunnen gebeuren”, maar of zij “zou zijn gebeurd” in dezelfde omstandigheden, met enkel het foutieve element verwijderd.
De praktische betekenis: onderscheid tussen hypothetische mogelijkheid en contra-feitelijke reconstructie
In causale discussies is het verleidelijk om te redeneren in termen van mogelijkheden: een overeenkomst kan altijd eindigen, een loopbaan kan altijd kantelen, partijen kunnen altijd keuzes maken. Maar de juridische toets verlangt een contra-feitelijke reconstructie die aan de werkelijkheid verankerd blijft. Het foutloze scenario is geen vrij verhaal, maar een gecontroleerde variant van dezelfde feitelijke context.
Daaruit volgt dat “mogelijkheidsargumenten” slechts relevant zijn wanneer zij werkelijk deel uitmaken van de concrete omstandigheden en historiek, en niet wanneer zij enkel berusten op algemene denkbaarheid. Het verschil is fundamenteel: de contra-feitelijke hypothese is een instrument om causaliteit te toetsen, niet om achteraf nieuwe onzekerheden te creëren die de feitelijke context vervangen.
FAQ – Ontbinding, schadevergoeding, verlies van een kans en oorzakelijk verband
Wat is het doel van schadevergoeding bij ontbinding wegens contractuele wanprestatie?
De schadevergoeding beoogt de schuldeiser te plaatsen in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de schuldenaar zijn verbintenis was nagekomen.
Kan “verlies van een kans” worden vergoed bij contractuele wanprestatie?
Ja. De rechter kan vergoeding toekennen voor het verlies van een kans om een voordeel te verwerven of een nadeel te vermijden, wanneer dat kansverlies aan de foutieve niet-uitvoering kan worden toegerekend.
Wat is de causale toets bij vergoeding voor kansverlies?
Er moet een conditio sine qua non-verband bestaan tussen de fout en het verlies van de kans. Dat betekent dat de schade zich zonder de fout niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan.
Hoe construeert de rechter de contra-feitelijke hypothese?
De rechter moet abstractie maken van het foutieve element in de historiek van het schadegeval, zonder de andere omstandigheden te wijzigen, en nagaan of de schade zich ook in dat geval zou hebben voorgedaan.
Wat betekent “verbod om de omstandigheden te wijzigen” concreet?
Men mag de fout wegdenken, maar men mag niet bijkomende hypothetische gebeurtenissen invoeren die zich in werkelijkheid niet hebben voorgedaan om zo het oorzakelijk verband te ontkrachten.
Waarom was de redenering “de overeenkomst had ook op andere manieren kunnen eindigen” problematisch?
Omdat dat uitgaat van hypothetische beëindigingen die niet tot de feitelijke omstandigheden behoren en daardoor de omstandigheden van het schadegeval wijzigt. Volgens de tekst kan men het causale verband niet ontkennen door louter te verwijzen naar andere mogelijke manieren waarop de schade zich per hypothese had kunnen voordoen.
Is de vraag of de schade zich zonder fout ‘had kunnen’ voordoen dezelfde als ‘zou’ voordoen?
Neen. De relevante vraag is of de schade zich in dezelfde omstandigheden, maar zonder het foutieve element, zou hebben voorgedaan.
Waarom wordt kansverlies vaak gebruikt in situaties van onzekerheid?
Omdat de rechter soms niet met voldoende zekerheid kan vaststellen wat er zonder fout zou zijn gebeurd. Door de schade als verlies van een kans te omschrijven, kan men toch tot een proportionele vergoeding komen.
Is “verlies van een kans” volgens de tekst werkelijk een zelfstandige schade?
De tekst werkt een kritische visie uit: in de praktijk fungeert kansverlies vaak als een beredeneerde fictie om een onderliggend reëel nadeel proportioneel te vergoeden in functie van de waarschijnlijkheid van het oorzakelijk verband.
Wat bedoelt de tekst met proportionele aansprakelijkheid?
Een aansprakelijkheid in verhouding tot de waarschijnlijkheid van het conditio sine qua non-verband. De tekst stelt dat dit concept accurater beschrijft wat in de praktijk gebeurt dan de omweg via “kansschade”.
Welke schade ziet de tekst bij onrechtmatige beëindiging van een samenwerkingsovereenkomst?
De tekst werkt minstens twee sporen uit: een tijdelijke aantasting van het vermogen om via arbeid in behoeften te voorzien (met loon als ramingscriterium), en eventueel het verlies van een contractueel voordeel (begrepen als een verschil tussen wat contractueel zou zijn genoten en de waarde van het herwonnen arbeidsvermogen/arbeidsmarktwaarde).