De kernvraag: geldt de nieuwe regeling ook voor oude dossiers?
In de praktijk van de gerechtelijke vereffening-verdeling rijst geregeld de vraag welke procedureregels van toepassing zijn wanneer een dossier al jaren loopt en tijdens de uitvoering een fundamentele wetswijziging in werking treedt. De hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, ingevoerd bij wet van 13 augustus 2011 en in werking getreden op 1 april 2012, bracht onder meer een expliciete regeling voor “deelakkoorden” in het Gerechtelijk Wetboek. Een veelvoorkomende discussie is of die regeling ook kan spelen in dossiers waarvan de vereffening-verdeling al vóór 1 april 2012 werd bevolen.
In het hier besproken arrest stelt het hof van beroep te Antwerpen duidelijk dat dit niet het geval is: de bij de hervormingswet ingevoerde regeling in art. 1214, § 1 Ger.W. over deelakkoorden inzake vereffening-verdeling is niet van toepassing op een gerechtelijke vereffening-verdeling die vóór 1 april 2012 werd bevolen.
Feitelijk kader van het besproken en verder weergegeven arrest: echtscheiding, boedelnotarissen en discussie over een transactie
De partijen waren gehuwd en werden uit de echt gescheiden bij vonnis van 16 juni 2003, later bevestigd door het hof van beroep in 2005. In dat kader werden twee boedelnotarissen aangesteld.
De latere betwisting draait om de vraag of partijen “tot slot van alle rekeningen” een definitieve transactionele verdeling hebben afgesloten via akten ondertekend in oktober en november 2013. De standpunten zijn diametraal tegengesteld.
In 2023 werd de zaak aanhangig gemaakt via een “akte tot vaststelling geschilpunt”, gevolgd door een advies van de boedelnotarissen. De eerste rechter volgde dit standpunt: de transactionele dading van oktober 2013 zou de vereffening-verdeling finaal hebben beëindigd, zodat partijen niets meer van elkaar te vorderen zouden hebben. De rechter benadrukte de duidelijke bewoordingen, de finaliteit van de overeenkomst, en het feit dat partijen volgens die lezing op de hoogte waren van de betrokken pensioenverzekeringen.
De appellante tekende hoger beroep aan. Zij beklemtoonde onder meer dat de vereffening-verdeling steeds “ontdubbeld” werd, dat onduidelijkheden bleven bestaan over pensioenrechten opgebouwd in het gemeenschappelijk vermogen, dat de overeenkomst die rechten niet omvatte, en dat verdere werkzaamheden noodzakelijk blijven. De geïntimeerde vroeg bevestiging van het vonnis en verwees naar de gebruikte terminologie (“tot slot van alle rekeningen”), het stilzitten van partijen, de bekendheid van de pensioenrechten en een schrijven van de vroegere advocaat van appellante.
De sleutel: overgangsrecht en temporele werking van procedureregels
Het hof plaatst de discussie in het juiste kader: het gaat niet alleen om de inhoud en reikwijdte van de transactie, maar ook om de vraag volgens welke procedureregels de betwisting überhaupt moet worden beslecht. De procedurevoorschriften van de gerechtelijke vereffening-verdeling hebben een dwingend karakter en moeten door de rechter ambtshalve worden nagegaan.
Daarom rijst volgens het hof de vraag naar de regelmatigheid en toelaatbaarheid van de wijze van rechtsingang waarmee het geschil aanhangig werd gemaakt. En precies daar speelt het overgangsrecht een doorslaggevende rol.
De hervorming van 13 augustus 2011 werd weliswaar ingevoerd als nieuwe rechtspleging, maar bevat een specifieke overgangsbepaling. Die overgangsbepaling houdt een afwijking in op het algemene principe van onmiddellijke toepasselijkheid van nieuwe procedureregels op hangende geschillen. Met andere woorden: men kan niet automatisch vertrekken van het idee dat nieuwe procedureregels altijd meteen gelden voor lopende dossiers.
Cassatierechtspraak als ijkpunt: de lex specialis primeert
Het hof verwijst in het besproken naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Daarin werd onderstreept dat de overgangsregeling van de hervormingswet afwijkt van de onmiddellijke toepasselijkheid van nieuwe procedureregels. Die overgangsregeling beoogt volgens de aangehaalde cassatierechtspraak dat de nieuwe procedure enkel geldt voor vereffeningen-verdelingen die na inwerkingtreding in beraad worden genomen, terwijl de oude procedureregels blijven gelden wanneer de verdeling al onder het oude recht bevolen werd.
In het cassatiearrest waarnaar werd verwezen (zie verder) werd een appelrechter gecensureerd die toch de nieuwe procedureregels toepaste, enkel omdat het dossier nog liep, en die daaruit afleidde dat eerst de notaris-vereffenaar de discussie over een deelakkoord moest beslechten (en desnoods via een tussengeschil). Cassatie stelde dat dit strijdig is met de overgangsregeling: oude dossiers blijven beheerst door oude procedureregels.
Het hof verwijst in het besproken arrest ook naar eerdere cassatierechtspraak waarin de toen bestaande controverse over overgangsrecht definitief werd beslecht. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de overgangsbepaling als lex specialis primeert op de algemene regel, zodat alle vóór 1 april 2012 definitief bevolen gerechtelijke vereffeningen-verdelingen in globo onderworpen blijven aan de oude wetsbepalingen. De bedoeling is dus niet om nieuwe en oude regels te vermengen naargelang men zich in een later stadium van de vereffening bevindt.
Gevolg: oude procedure blijft gelden, ook voor discussie over deelakkoorden
Toegepast op de zaak leidt dit tot een helder uitgangspunt: omdat het vonnis waarbij de gerechtelijke vereffening-verdeling werd bevolen dateert van vóór 1 april 2012 (namelijk 16 juni 2003), moeten de oude procedureregels worden toegepast.
Dat heeft concrete gevolgen voor deelakkoorden en dadingen in dergelijke dossiers. Onder het oude recht vallen dergelijke afspraken volgens het hof buiten het procedureel scenario zoals uitgetekend in het Gerechtelijk Wetboek voor de gerechtelijke vereffening-verdeling. Partijen die betwistingen willen laten beslechten over dergelijke akkoorden, zijn aangewezen op de normale wijze van rechtsingang.
De wettelijke regeling van deelakkoorden zoals die thans in het Gerechtelijk Wetboek bestaat, geldt enkel voor procedures waarbij de aanstellingsbeslissing dateert van na de inwerkingtreding van de hervormingswet. Het hof trekt dit nog sterker door voor dadingen: door een dading is de bevoegdheid van de boedelnotaris of notaris-vereffenaar hoe dan ook uitgeput. Dat zou overigens zelfs onder de nieuwe regels zo zijn.
Waarom het notarieel proces-verbaal hier niet past
Een praktisch belangrijk punt is de wijze van rechtsingang. Het hof besluit dat de methodiek van het notarieel proces-verbaal neergelegd door de notaris-gerechtsmandataris als wijze van rechtsingang niet aan de orde is in deze context.
Met andere woorden: men kan de procedurele instrumenten die typisch bij het nieuwe regime horen, niet zonder meer projecteren op een oud dossier. Wie dat toch doet, riskeert dat de zaak op procedurele gronden moet worden bijgestuurd.
In het concrete dossier leidt dit tot een procedurele tussenbeslissing: het hof acht het aangewezen de debatten te heropenen, met aanhouding van de kosten.
Belang voor de praktijk: één dossier, één procedureregeling
Het arrest bevestigt een essentiële praktijkregel: bij gerechtelijke vereffening-verdeling is het moment waarop de vereffening-verdeling werd bevolen doorslaggevend voor de toepasselijke procedureregels. Het oude regime blijft integraal gelden voor alle vóór 1 april 2012 bevolen vereffeningen-verdelingen, ook wanneer er jaren later nog discussie ontstaat over transacties of deelafspraken.
Daarmee wordt vermeden dat eenzelfde dossier tijdens zijn uitvoering “van regime verandert” met onzekerheid over rolverdeling tussen notaris en rechter, over de juiste wijze van rechtsingang, en over de toelaatbaarheid van bepaalde procedurestappen. De uitspraak onderlijnt dus rechtszekerheid: het overgangsrecht is niet bijkomstig, maar structureel.
Slotbeschouwing
De hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling bracht een modernisering van de werkwijze, onder meer via een uitgewerkte regeling voor deelakkoorden. Toch blijft die regeling beperkt tot dossiers waarop het nieuwe recht van toepassing is. Oude dossiers blijven gebonden aan de oude procedurevoorschriften.
Voor de rechtspraktijk is dit arrest een nuttige herinnering dat men bij elk geschil binnen een vereffening-verdeling eerst de temporele werking van het toepasselijke procedureregime moet bepalen. Wie die stap overslaat, kan op een fundamentele procedurefout botsen, met heropening van de debatten en vertraging als gevolg.