De redelijke termijn als rechtswaarborg
Het recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn behoort tot de kern van een eerlijk proces. In fiscale geschillen duikt dit thema vooral op wanneer proceduretermijnen ontsporen door structurele achterstand bij de rechtbanken en hoven. Een belangrijke nuance is dat de waarborg van de redelijke termijn niet automatisch op elk onderdeel van een fiscaal geschil van toepassing is. Zij is vooral relevant wanneer de procedure aanleiding kan geven tot een sanctie van strafrechtelijke aard, zoals belastingverhogingen die als punitief worden beschouwd. Voor het zuiver fiscale luik – het vaststellen of innen van belastingen als publiekrechtelijke verplichting – wordt die waarborg doorgaans niet aanvaard.
Het toepassingsgebied van de redelijke termijn in fiscale procedures
Bij belastingverhogingen kan het recht op behandeling binnen een redelijke termijn wél spelen omdat dergelijke verhogingen, afhankelijk van hun aard en zwaarte, kunnen worden gezien als strafsanctie. Daardoor worden de processuele garanties van het eerlijk proces relevant, waaronder de redelijke termijn.
In dat kader is het niet voldoende dat een procedure lang duurt; de rechter beoordeelt steeds of de duur, rekening houdend met de omstandigheden, nog verantwoord is. Factoren die daarbij een rol spelen zijn onder meer de aard en complexiteit van het dossier, het gedrag van de overheid, het gedrag van de belastingplichtige en de wijze waarop het gerecht de zaak heeft behandeld. Enkel vertraging die aan de overheid kan worden toegerekend, komt in aanmerking.
Er bestaat geen automatische drempel waaronder de termijn altijd redelijk is of waarboven zij altijd onredelijk wordt. Toch wordt in de praktijk vaak gewerkt met richttermijnen die een rechter toelaat om de beoordeling te structureren.
Structurele rolachterstand als enige oorzaak van vertraging
Soms blijkt de vertraging niet veroorzaakt door het dossier zelf, maar door de organisatie van het gerecht: een overbelaste rol, beperkte capaciteit of een structureel tekort aan gespecialiseerde kamers. In zulke gevallen wordt het spanningsveld tussen de redelijke termijn als grondrecht en de realiteit van justitiële achterstand bijzonder scherp.
Wanneer de rechter vaststelt dat de vertraging uitsluitend te wijten is aan overbelasting van de rol, wordt de redelijke termijn schending in principe duidelijk toerekenbaar aan de overheid. Dit maakt de vaststelling juridisch helder, maar zegt nog niets over het gevolg dat daaraan moet worden gekoppeld.
Geen automatische sanctie: het recht zwijgt over het gevolg
Een cruciaal probleem in dit domein is dat noch het algemene mensenrechtenkader, noch het fiscaal recht zelf precies bepaalt welk rechtsherstel moet volgen wanneer een overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld.
De grondregel blijft dat de rechter het procesrecht moet respecteren: hij kan niet ambtshalve een sanctie toekennen die niet werd gevraagd, en hij mag geen beslissing nemen buiten het kader van de vorderingen zoals ze door partijen zijn geformuleerd.
Daardoor kan het gebeuren dat een rechter de schending van de redelijke termijn uitdrukkelijk vaststelt, maar er geen rechtsgevolg aan verbindt omdat er geen duidelijke, ontvankelijke vordering voorligt die dat rechtsherstel mogelijk maakt.
Ultra petita: waarom de rechter niet ‘uit zichzelf’ corrigeert
Zelfs wanneer de rechter sympathie zou hebben voor het middel, kan hij niet zomaar een vermindering van de belastingverhoging of een andere compensatie toekennen als dat niet expliciet werd gevraagd. Doet hij dat toch, dan oordeelt hij ultra petita: hij treedt buiten het kader van de vordering. Dit is een fundamentele processuele fout.
Hieruit volgt een belangrijk praktisch inzicht: wie zich beroept op schending van de redelijke termijn, moet niet enkel de schending aantonen, maar ook uitdrukkelijk en precies formuleren welk rechtsgevolg wordt gevraagd, en dat in de syntheseconclusies.
Schadevergoeding als theoretische uitweg
Wanneer vermindering of wegvallen van een belastingverhoging niet ontvankelijk of niet gevorderd is, wordt soms gedacht aan een alternatieve vorm van rechtsherstel: schadevergoeding naar burgerrechtelijk recht wegens foutieve werking van de overheid of schending van een fundamenteel procesrecht.
In theorie kan een onredelijke vertraging aanleiding geven tot dergelijke schadevergoeding. In de praktijk botst dit vaak op procesrechtelijke obstakels: het moet ontvankelijk gevorderd zijn, het moet binnen het juiste procedurekader worden ingesteld, en het kan niet zomaar als bijkomende gedachte in een lopend fiscaal geschil worden “meegenomen” zonder correcte juridische grondslag.
Bovendien is schadevergoeding niet vanzelfsprekend: er moet schade worden aangetoond en er moet een juridisch aanvaardbare causaliteit bestaan tussen de schending en die schade.
Besluit: erkenning is niet genoeg
De overschrijding van de redelijke termijn kan dus volledig vaststaan, zelfs uitsluitend veroorzaakt zijn door structurele gerechtelijke overbelasting, en toch zonder concreet gevolg blijven. De verklaring is eenvoudig: het procesrecht laat geen herstel toe zonder duidelijke, ontvankelijke vordering.
De belangrijkste les is dat de redelijke termijn in fiscale procedures geen automatisch wapen is dat bij vastgestelde vertraging tot strafvermindering leidt. De effectiviteit ervan hangt af van drie voorwaarden: de toepasselijkheid op het punitieve luik, de correcte toerekening van de vertraging aan de overheid, en vooral de procesrechtelijk correcte en uitdrukkelijke vordering in de syntheseconclusies.