Het spanningsveld tussen verdragsrecht en intern recht
Wanneer een persoon banden heeft met twee staten, duikt al snel de vraag op waar hij fiscaal inwoner is en waar hij dus in beginsel met zijn wereldwijd inkomen aan personenbelasting onderworpen is. Het dubbelbelastingverdrag België-Roemenië bevat regels om voor de toepassing van het verdrag een woonstaat aan te wijzen. Die verdragsregels bepalen echter niet automatisch of België naar intern recht personenbelasting mag heffen. Voor de Belgische heffingsbevoegdheid in de personenbelasting blijft het interne woonplaatsbegrip beslissend, met de daarbij horende bewijsregels.
Het weerlegbaar vermoeden: inschrijving in het rijksregister
Het Belgische fiscale recht vertrekt van een feitelijke beoordeling van woonplaats of zetel van fortuin. Tegelijk bevat het een bijzonder krachtig bewijsmechanisme: wie ingeschreven is in het Rijksregister van de natuurlijke personen, wordt behoudens tegenbewijs geacht zijn woonplaats in België te hebben gevestigd. Dat vermoeden is weerlegbaar, maar de bewijslast rust op de belastingplichtige. Dit betekent dat niet de administratie moet aantonen dat België de woonplaats is, maar dat de ingeschreven persoon moet aantonen dat dit ondanks de inschrijving niet zo is.
De concrete aanleiding: Belgische aanslagen op Roemeense dividenden
In de voorliggende zaak had de belastingplichtige voor meerdere aanslagjaren aangiften in de Belgische personenbelasting ingediend. De administratie wijzigde de aangiften voor bepaalde jaren en nam onder meer het standpunt in dat ontvangen dividenden uit Roemenië in België belastbaar waren. De belastingplichtige verzette zich en stelde dat hij fiscaal inwoner van Roemenië was. Na bezwaar bleef de administratie, behoudens een correctie van bedragen, bij haar oordeel dat hij Belgisch rijksinwoner was. De belastingplichtige trok daarop naar de rechtbank en vervolgens naar het hof van beroep.
De betekenis van de eigen aangifte: bevestiging van het statuut
Het hof hecht belang aan de eigen gedragslijn van de belastingplichtige. Hij diende niet enkel voor de betwiste aanslagjaren aangiften in de personenbelasting in, maar bleef dit ook in latere jaren doen. Dat wijst erop dat hij zichzelf als rijksinwoner behandelde. In die context benadrukt het hof dat de belastingplichtige in beginsel gebonden is door de vermeldingen in zijn aangifte, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij zich in feite of in rechte vergiste. De argumentatie die hij aanvoerde, overtuigde het hof niet dat er sprake was van een vergissing die zijn eigen aangiftepraktijk kon neutraliseren.
De nationale band en de rijksregisterinschrijving als zwaarwegende ankerpunten
De belastingplichtige had de Belgische nationaliteit en was in de betrokken perioden ingeschreven in het Belgische rijksregister. Dat activeert het weerlegbaar vermoeden van woonplaats in België. Het hof wijst erop dat de belastingplichtige geen afdoende verklaring gaf waarom hij de inschrijving behield als hij werkelijk enkel in Roemenië woonde. Het dossier bevat bovendien bijkomende elementen die volgens het hof moeilijk te verzoenen zijn met de stelling dat België geen reële woonstaatband meer had.
Feitelijke elementen die volgens het hof het tegenbewijs ondergraven
Het hof neemt een reeks concrete omstandigheden samen in beoordeling. Het wijst op een echtscheiding in 2017 zonder daaropvolgende uitschrijving uit het bevolkingsregister. Het benadrukt dat de belastingplichtige in 2018 een woning in België kocht, waar hij ook gedomicilieerd is, en dat hij daarvoor een hypothecaire lening afsloot. Het hof vermeldt dat de kinderen en kleinkinderen in België wonen. Het wijst erop dat op diverse documenten het Belgische adres bleef opduiken, zelfs in de procedurestukken. Het beklemtoont ook dat voertuigen in België ingeschreven bleven. Daarnaast maakt het hof opmerkingen bij de bewijsstukken die de belastingplichtige voorlegt: verzekeringsbewijzen in Roemenië stonden niet op zijn naam als natuurlijke persoon, de lijst van vluchten toont geen eenduidig patroon en is bovendien gekoppeld aan boekingen via een Belgisch reisbureau, en de voorgelegde bankuittreksels uit Roemenië sluiten niet uit dat ook Belgische rekeningen bestaan, temeer omdat een hypothecaire lening in België werd aangegaan. Ten slotte wordt gewezen op een betrokkenheid als aandeelhouder of bestuurder van een Belgische vennootschap.
Het duurzaam tehuis en de ‘tie-breaker’ benadering in verdragscontext
Het hof beoordeelt de feiten ook tegen de achtergrond van het dubbelbelastingverdrag. Daarbij is het begrip “duurzaam tehuis” belangrijk: het gaat niet enkel om de aanwezigheid van een woning, maar om de effectieve beschikbaarheid ervan als duurzame woonbasis. Op basis van alle gegevens meent het hof dat de belastingplichtige minstens ook in België over een duurzaam tehuis beschikt. Vervolgens komt de klassieke verdragslogica in beeld: wanneer een duurzaam tehuis in beide staten aannemelijk is, verschuift de focus naar het middelpunt van de levensbelangen, met andere woorden waar de persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn. Het hof besluit dat uit het dossier geenszins blijkt dat die betrekkingen nauwer met Roemenië dan met België verbonden zijn. Bovendien stelt het hof dat ook het gewoonlijk verblijf in België uit de concrete gegevens volgt. Tegen die achtergrond bevestigt het hof het oordeel dat België als woonstaat overeind blijft.
Waarom de voorgelegde tegenbewijzen niet volstonden
De belastingplichtige legde uiteenlopende bewijsstukken voor, waaronder verklaringen van vrienden, notarieel vastgelegd, foto’s van bijeenkomsten in Roemenië en attesten van fiscaal inwonerschap in Roemenië. Het hof is daar kritisch over. Het kwalificeert de vriendenverklaringen als duidelijk opgesteld met het oog op de procedure en niet geschikt om de eerdere feitelijke vaststellingen te ontkrachten. Foto’s tonen hoogstens dat er activiteiten en aanwezigheid in Roemenië zijn, wat niet wordt betwist, maar ze sluiten niet uit dat ook België een duurzaam tehuis en een gewoonlijk verblijf kent. Attesten van Roemeens fiscaal inwonerschap worden evenmin doorslaggevend geacht, omdat het niet betwist is dat de belastingplichtige in Roemenië inkomsten heeft die in de bronstaat belastbaar zijn. Met andere woorden: de aanwezigheid van belastingbanden in Roemenië is niet hetzelfde als het leveren van het tegenbewijs dat het Belgische vermoedelijke inwonerschap niet geldt.
De kernuitkomst: vermoeden niet weerlegd, grieven ongegrond
De uitkomst is dat de belastingplichtige volgens het hof faalt in de op hem rustende bewijslast om het tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden van woonplaats in België. De aanslagen blijven overeind. De argumenten die nog bijkomend werden opgeworpen, worden door het hof terzijde geschoven als niet ter zake dienend of overbodig.
Praktische draagwijdte
Dit arrest illustreert hoe zwaar de combinatie weegt van rijksregisterinschrijving, Belgische nationaliteit en feitelijke ankerpunten zoals domicilie, vastgoed, gezinsbanden, financiële en administratieve sporen. Het toont ook dat een bundel losse feitelijke stukken, hoe talrijk ook, niet automatisch volstaat als ze geen coherent alternatief beeld opleveren dat het Belgische duurzaam karakter van de woonplaatsband ontkracht. In die zin is de boodschap duidelijk: wie ingeschreven blijft in België en tegelijk een Belgisch levensspoor behoudt, zal een bijzonder stevig en consistent tegenbewijs moeten leveren om niet als Belgisch rijksinwoner te worden behandeld.
FAQ – Fiscale woonplaats, rijksregister en dubbelbelastingverdrag België–Roemenië
Wat is “fiscale woonplaats” in België?
De fiscale woonplaats (of het inwonerschap) is de plaats waar iemand volgens het Belgische fiscale recht geacht wordt te wonen voor de toepassing van de personenbelasting. Wie fiscaal rijksinwoner is, is in België in principe belastbaar op zijn wereldwijd inkomen.
Is fiscale woonplaats hetzelfde als domicilie?
Niet noodzakelijk. Domicilie (inschrijving) is een belangrijk feitelijk element, maar fiscale woonplaats wordt beoordeeld op basis van alle omstandigheden. Alleen: wie ingeschreven is in het Rijksregister, wordt door de wet wél vermoed zijn woonplaats in België te hebben.
Wat betekent het vermoeden bij inschrijving in het Rijksregister?
Wie in het Rijksregister van de natuurlijke personen staat ingeschreven, wordt behoudens tegenbewijs geacht zijn woonplaats in België te hebben. Dat is een sterk feitelijk vermoeden: de belastingplichtige moet het tegenbewijs leveren.
Wie draagt de bewijslast om het vermoeden te weerleggen?
De belastingplichtige. De administratie moet in dat geval niet aantonen dat België de woonplaats is; het is de ingeschreven persoon die moet aantonen dat hij ondanks die inschrijving niet in België woont voor fiscale doeleinden.
Welk soort bewijs kan het vermoeden weerleggen?
Alle feitelijke gegevens kunnen relevant zijn, maar ze moeten samen een coherent en overtuigend beeld geven dat de woonplaats niet in België ligt. Losse stukken die enkel aantonen dat men óók in het buitenland verblijft of activiteiten heeft, volstaan vaak niet.
Is een fiscaal residentie-attest uit Roemenië voldoende bewijs?
Niet automatisch. Een residentie-attest kan aantonen dat men in Roemenië fiscaal behandeld wordt als inwoner of daar belastbare inkomsten heeft, maar het bewijst niet noodzakelijk dat men niet (ook) Belgisch rijksinwoner is volgens Belgisch intern recht.
Waarom weegt het zo zwaar dat iemand zijn inschrijving in België behoudt?
Omdat het behouden van de inschrijving wijst op een blijvende band met België en omdat de wet daar expliciet gevolgen aan koppelt. In de praktijk ziet de rechter dit vaak als moeilijk te verzoenen met de stelling “ik woon uitsluitend in het buitenland”.
Maakt het uit dat iemand een woning bezit in België?
Ja. Vastgoed in België, zeker als het effectief beschikbaar is als woonst, ondersteunt het idee van een “duurzaam tehuis” in België. Een hypothecaire lening, nutsverbruik en effectieve bewoning kunnen dit nog versterken.
Wat betekent “duurzaam tehuis” in verdragscontext?
Dat is een woonst die de persoon duurzaam ter beschikking heeft. Het is meer dan eigendom alleen; het gaat om de feitelijke beschikbaarheid als vaste verblijfplaats. Men kan in theorie in twee landen een duurzaam tehuis hebben.
Wat is het “middelpunt van de levensbelangen”?
Als iemand in beide landen een duurzaam tehuis heeft, kijkt men naar waar zijn persoonlijke en economische banden het sterkst zijn: gezin, sociale banden, werk, vennootschappen, vermogen, bankrelaties, voertuigen, administratie, enz.
Wat betekent “gewoonlijk verblijf”?
Als het middelpunt van levensbelangen niet duidelijk is, kijkt men waar iemand gewoonlijk verblijft: waar hij effectief het meest aanwezig is. Ook hier spelen feitelijke gegevens een rol (vluchten, dag-tot-dag leven, vaste routines).
Wat als iemand zowel in België als in Roemenië verblijft?
Dan moet men volgens het verdrag de “tie-breaker”-regels toepassen: duurzaam tehuis, middelpunt van levensbelangen, gewoonlijk verblijf, nationaliteit. Het is dus perfect mogelijk dat de discussie escaleert naar een totaalbeoordeling.
Speelt nationaliteit een rol?
Ja, in de tie-breaker regels van het verdrag is nationaliteit een criterium als men er niet uit geraakt via duurzaam tehuis en gewoonlijk verblijf. Dan kan de persoon geacht worden inwoner te zijn van de staat waarvan hij onderdaan is.
Is het problematisch dat iemand aangiften in de Belgische personenbelasting indient?
Het kan zwaar doorwegen. Het wijst erop dat de betrokkene zichzelf als rijksinwoner behandelt. De rechter kan dat zien als bevestiging van het statuut, tenzij de belastingplichtige overtuigend aantoont dat het om een vergissing ging.
Kan iemand achteraf zeggen dat hij “per vergissing” aangiften PB deed?
Dat kan, maar dan moet hij dat aantonen. In de praktijk wordt die argumentatie streng beoordeeld, zeker als de persoon dat jaren blijft doen en geen aangiften “belasting niet-inwoners” indient.
Welke feiten kunnen het tegenbewijs onderuit halen?
Typisch: behoud inschrijving in België, Belgische woning/domicilie, gezinsbanden in België, voertuigen in België, Belgische bank- of leningrelaties, vermelding van Belgisch adres op documenten, economische activiteiten of bestuursmandaten in Belgische vennootschappen.
Zijn verklaringen van vrienden nuttig als bewijs?
Beperkt. Zeker als ze opgesteld lijken te zijn voor de procedure, zullen rechters die vaak voorzichtig beoordelen. Ze moeten aansluiten bij harde objectieve elementen, anders hebben ze meestal weinig impact.
Wat is de praktische les uit dit soort arrest?
Wie echt wil aantonen dat zijn fiscale woonplaats niet in België ligt, moet ervoor zorgen dat zijn feitelijke situatie daarmee strookt: uitschrijving, duidelijke verplaatsing van woon- en levenscentrum, consequente administratie, bewijs van effectief buitenlandverblijf en het ontbreken van duurzaam tehuis in België.