1. De plaats van kwijtschelding in het moderne faillissementsrecht
Het huidige insolventierecht vertrekt uit een tweesporenlogica. Enerzijds wil de wetgever de ondernemer die te goeder trouw tegenslagen kende, een reële tweede kans bieden. Anderzijds blijft het uitgangspunt overeind dat het systeem geen beloning mag worden voor wie door manifest onverantwoord gedrag een faillissement mee in de hand werkte.
In dat spanningsveld past de kwijtschelding van restschulden. Zij vormt geen automatisch gevolg van het faillissement, maar een instrument om een eerlijke herstart mogelijk te maken. De wetgever heeft de toegang tot kwijtschelding laagdrempelig willen houden, precies omdat dit mechanisme de rehabilitering van de gefailleerde beoogt. Maar die rehabilitering kent grenzen.
Een belangrijke grens is de situatie waarin de gefailleerde “kennelijk grove fouten” heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. In dat geval kan kwijtschelding geheel of gedeeltelijk worden geweigerd.
2. De procedure: verzet tegen kwijtschelding door belanghebbenden
Het wettelijk systeem laat toe dat belanghebbenden (waaronder schuldeisers, curator en openbaar ministerie) tussenkomen om die kwijtschelding te laten beperken of weigeren.
Het mechanisme werkt als volgt. Vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis kan elke belanghebbende via verzoekschrift vorderen dat:
-
• de kwijtschelding slechts gedeeltelijk wordt toegekend, of
-
• de kwijtschelding volledig wordt geweigerd,
op voorwaarde dat er sprake is van kennelijk grove fouten die tot het faillissement hebben bijgedragen.
De beoordeling ligt bij de rechter, die hierover een gemotiveerde beslissing moet nemen. In de praktijk leidt dit tot procedures waarin kwijtschelding niet langer louter als herstelmaatregel wordt bekeken, maar waarin ook het gedrag van de gefailleerde wordt gewogen tegen fundamentele normen van voorzichtigheid en eerlijk ondernemerschap.
3. Het begrip “kennelijk grove fout”: aansluiting bij bestuurdersaansprakelijkheid
Voor de invulling van “kennelijk grove fouten” wordt aangeknoopt bij het gelijknamige begrip uit de aansprakelijkheidsregeling voor bestuurders: de kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement.
Het begrip vereist meer dan gewone onzorgvuldigheid. Het gaat om een onbetwistbare, manifeste fout waarvan elk redelijk persoon wist of moest weten dat zij schade zou veroorzaken. De fout moet bovendien hebben bijgedragen tot het faillissement, zonder noodzakelijk de enige of doorslaggevende oorzaak te zijn.
Belangrijk is dat deze toets niet neerkomt op een moreel oordeel over de gefailleerde, maar op een normatief criterium: welk gedrag is dermate manifest roekeloos dat het onverenigbaar is met de doelstelling van een “tweede kans” voor de eerlijke maar ongelukkige ondernemer?
4. Causaliteit: “bijdragen” is ruimer dan “veroorzaken”
Een centrale nuance in de regeling is het causale verband. De wet spreekt over fouten die “hebben bijgedragen tot” het faillissement. Dit betekent dat de rechter niet beperkt is tot de zoektocht naar dé oorzaak. Hij mag teruggaan in de keten van antecedenten en nagaan welke gedragingen in het traject naar insolventie een relevante rol hebben gespeeld.
Met andere woorden: een fout kan voldoende relevant zijn om kwijtschelding te weigeren ook al is zij niet exclusief of rechtstreeks de onmiddellijke aanleiding voor het faillissementsvonnis. De fout moet het risico op insolventie op manifeste wijze hebben vergroot of het faillissement voorspelbaar hebben gemaakt.
5. Ondernemen zonder realistisch perspectief: wanneer de start zelf een “kennelijk grove fout” vormt
Een bijzonder relevante toepassing is de situatie waarin iemand een ondernemingsactiviteit opstart terwijl objectief vaststaat dat er geen enkele reële kans bestaat om duurzaam te ondernemen.
In de hier verder weergegeven en alhier besproken rechtspraak wordt de kern scherp geformuleerd: het opstarten van een ondernemingsactiviteit als natuurlijke persoon zonder financiële buffer, terwijl men reeds overladen is met gigantische schulden, biedt geen enkel redelijk vooruitzicht dat die activiteit ook maar enigszins zal helpen om de historische schulden en kosten af te bouwen, nog los van de lopende schulden.
De fout bestaat dan niet in één concrete handeling, maar in het starten of voortzetten van een onderneming in omstandigheden waarin:
-
• het aanvangsvermogen ontbreekt,
-
• geen financieringsbron bestaat,
-
• het passief reeds van bij de start uitzonderlijk zwaar is,
-
• en de mislukking in feite voorspelbaar is.
Het ondernemingsavontuur wordt dan niet gezien als een moedige herstart, maar als een manifest roekeloze stap waarvan elke redelijk ondernemer moet weten dat deze onvermijdelijk eindigt in insolventie.
6. Een feitencomplex dat wijst op roekeloosheid en onzuivere intenties
De rechtspraak toont dat kennelijk grove fout vaak niet wordt afgeleid uit één element, maar uit een samenhangend geheel van omstandigheden en gedragingen.
Feiten die daarbij zwaar kunnen doorwegen zijn onder meer:
-
• een reeds zeer zware schuldenberg vóór de opstart van de activiteit;
-
• bijkomende schulden die ontstaan tijdens de nieuwe activiteit;
-
• geen enkel spoor van reële ondernemingsopbrengsten of actief;
-
• het ontbreken van elementaire verplichtingen, zoals het niet betalen van sociale bijdragen;
-
• gedragingen die de indruk wekken dat het doel eerder het verkrijgen van kwijtschelding is dan het uitbouwen van een levensvatbare onderneming.
Waar het ondernemerschap slechts een vehikel lijkt te zijn om toegang te krijgen tot een kwijtscheldingsmechanisme, wordt de gefailleerde niet langer gezien als de “te goeder trouw getroffen” ondernemer, maar als iemand die het tweedekansbeleid instrumenteel gebruikt.
7. De grenzen van het tweedekansbeleid
Het tweedekansbeleid heeft een duidelijke doelgroep. Het is bedoeld voor wie door tegenslag, economische omstandigheden of misrekening in moeilijkheden kwam, en die in wezen als bonafide ondernemer kan worden beschouwd.
De rechter kan daarom oordelen dat iemand die start of doorstart in volstrekt uitzichtloze omstandigheden, niet beantwoordt aan het profiel dat de wetgever voor ogen had.
Een belangrijke onderliggende gedachte is dat kwijtschelding geen verzekering tegen roekeloosheid mag worden. Een systeem dat ook de manifest roekeloze ondernemer automatisch zou bevrijden van restschulden, zou afbreuk doen aan zowel de maatschappelijke aanvaardbaarheid als het preventieve karakter van het insolventierecht.
8. Gedeeltelijke weigering: kwijtschelding op maat
Een bijzonder interessant aspect is dat de weigering niet noodzakelijk alles-of-niets hoeft te zijn. De wet laat uitdrukkelijk toe dat kwijtschelding slechts gedeeltelijk wordt geweigerd.
In de praktijk betekent dit dat:
-
• kwijtschelding kan worden geweigerd ten aanzien van specifieke schuldvorderingen (bijvoorbeeld van bepaalde schuldeisers die het initiatief namen),
-
• terwijl zij voor de overige restschulden toch wordt toegestaan.
Hierdoor ontstaat een genuanceerd systeem waarin de rechter de sanctie kan afstemmen op het concrete belang en de concrete schuldeisers, zeker wanneer andere belanghebbenden zich niet verzetten.
Deze mogelijkheid maakt de regeling tegelijk soepeler en scherper: soepeler omdat niet automatisch het volledige kwijtscheldingsvoordeel verloren gaat, maar scherper omdat net de schulden waarvoor het laakbare gedrag relevant is, buiten het bereik van kwijtschelding kunnen worden gehouden.
9. Besluit: kennelijk grove fout als moreel-juridische filter
De regeling van kwijtschelding heeft een sociaal-economische finaliteit: herstel en herintegratie. Maar het begrip “kennelijk grove fout” fungeert als filter die die finaliteit beschermt tegen misbruik.
De rechter hanteert daarbij een strenge norm: niet elke fout volstaat, maar wel de fout die zó manifest is dat iedere redelijk mens het schadelijk gevolg had moeten voorzien.
In ondernemingscontext krijgt dit bijzondere scherpte wanneer iemand een activiteit aanvat zonder de minste reële slaagkans, terwijl de schuldenlast op voorhand reeds onoverbrugbaar is. In zulke omstandigheden wordt de keuze om te ondernemen zelf het probleem: zij vormt dan een kennelijk grove fout die het faillissement voorspelbaar maakt.
Daarmee wordt duidelijk waar het insolventierecht de grens trekt: wie te goeder trouw struikelt, krijgt een tweede kans; wie roekeloos onderneemt zonder redelijke slaagkans, kan die kans verliezen, geheel of gedeeltelijk.
Casus
De casus draait om een failliete ondernemer-natuurlijke persoon die kwijtschelding van restschulden vraagt, maar waarbij twee schuldeisers zich daartegen verzetten omdat hij volgens hen kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement.
De feiten in essentie:
De gefailleerde startte op 1 januari 2018 een zelfstandige activiteit als natuurlijke persoon (diensten als expediteur/inklaring en verzending van goederen voor een Chinese firma, hoofdzakelijk via telewerk vanuit Italië). Reeds bij de opstart had hij echter een enorme schuldenlast, vooral door definitieve correctionele veroordelingen die verband hielden met zijn vroegere handelsactiviteiten via vennootschappen. Die schuldenlast bedroeg meer dan 13 miljoen euro (waaronder belangrijke fiscale schuldvorderingen die in het faillissement werden ingediend en door de curator integraal aanvaard).
Tijdens de ondernemingsactiviteit was er geen aantoonbaar ondernemingsactief en bleken er ook geen reële inkomsten of resultaten. De enige vermogenscomponent die in het faillissement werd vastgesteld, was een bedrag van ongeveer 84.637 euro, afkomstig uit een reservatair erfdeel uit de nalatenschap van zijn moeder. De gefailleerde had daarvan zelfs afstand gedaan, ondanks zijn immense schuldenlast, wat aanleiding gaf tot een Pauliaanse vordering die werd toegekend.
Daarnaast bouwde de gefailleerde tijdens zijn activiteit nieuwe schulden op, onder meer doordat hij nooit sociale bijdragen betaalde. Het faillissement kwam er uiteindelijk na een dagvaarding door het openbaar ministerie wegens onbetaalde sociale bijdragen.
De kern van het geschil in hoger beroep:
1. De schuldeisers wilden de kwijtschelding laten weigeren wegens kennelijk grove fouten.
2. e gefailleerde vroeg dat hij toch kwijtschelding zou krijgen (of dat de weigering beperkt zou zijn).
De rechter oordeelt dat het opstarten van een nieuwe zelfstandige activiteit zonder enige financiële buffer, terwijl men reeds met een schuldenberg van meer dan 13 miljoen euro is overladen en zonder reële financieringsbron, geen enkele slaagkans bood en dat dit gedrag als een kennelijk grove fout moet worden beschouwd die heeft bijgedragen tot het faillissement. Er was volgens het hof een manifest gebrek aan realistisch perspectief: elke redelijk ondernemer moest weten dat dit onvermijdelijk op een faillissement zou uitlopen. Ook wees het geheel van feiten erop dat de activiteit (mede) werd opgestart met het oog op het verkrijgen van kwijtschelding.
Uitspraak:
Het hof weigert kwijtschelding niet voor alle schulden, maar beperkt de weigering tot de schuldvorderingen van de twee schuldeisers die het verzet hadden ingesteld. Voor de overige restschulden wordt kwijtschelding wel toegestaan. De vordering om een ondernemingsverbod op te leggen wordt verworpen. De rechtsplegingsvergoedingen worden omgeslagen tussen partijen.