Bij de beoordeling van een weigering tot registratie van een wettelijke samenwoning komt het aan op een precieze toets: het volstaat niet dat de aanvraag een verblijfsrechtelijk voordeel kan opleveren, maar vereist is dat dit voordeel kennelijk de enige reden is voor de wettelijke samenwoning. Het onderscheid tussen “mogelijke motieven” en “enige drijfveer” is cruciaal en bepaalt de bewijslast en waardering van feiten in het dossier.
De familierechter beschikt over een brede controlebevoegdheid. Die controle beperkt zich niet tot een loutere wettigheidstoetsing van de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Integendeel: de rechter voert een volledige toetsing uit van het recht om de wettelijke samenwoning aan te gaan, gebaseerd op het geheel van omstandigheden. Opmerkelijk is dat die beoordeling niet wordt vastgepind op het moment van de administratieve weigering: ook elementen die zich nadien hebben voorgedaan, kunnen in de beoordeling worden meegenomen. Dit geeft de procedure een dynamisch karakter en maakt dat het dossier in de rechtbankfase soms wezenlijk anders kan ogen dan op het ogenblik van de weigering.
In de concrete afweging wordt doorgaans sterk gesteund op interviewverslagen, woonstcontroles, politionele verhoren en de persoonlijke verschijning van partijen. Een weigering kan ingegeven zijn door diverse aanwijzingen die als “typische indicatoren” worden gezien: een ongewone leeftijds- of gezinscontext, het ontbreken van persoonlijke spullen bij een woonstcontrole, beperkte kennis van elkaars familie of levensverhaal, tegenstrijdige verklaringen over belangrijke levensfeiten, of het ontbreken van externe tekenen van de relatie.
Daar tegenover staat evenwel dat ook positieve, coherente elementen een groot gewicht kunnen hebben. Gelijklopende verklaringen over de wijze waarop partijen elkaar hebben ontmoet, hun communicatiepatroon en het verloop van de relatie, kunnen de geloofwaardigheid ondersteunen. Ook wanneer vermeende tegenstrijdigheden na onderzoek blijken te kunnen worden verklaard (bijvoorbeeld omdat een religieuze ceremonie via digitale middelen vanuit België werd gevolgd), verliezen ze hun belastend karakter.
De rechter zal daarnaast belang hechten aan feiten die wijzen op een reële samenlevingscontext: taakverdeling in het huishouden, gezamenlijke zorg voor kinderen, kennis van elkaars dagelijkse activiteiten en gewoonten, en vooral de duur van de feitelijke samenwoning. Wanneer partijen al langere tijd samenleven en er voldoende aanwijzingen bestaan dat zij in elkaars leven geïntegreerd zijn, wordt het moeilijk om te besluiten dat de aanvraag uitsluitend verblijfsrechtelijk ingegeven is.
Indien de rechter tot het oordeel komt dat niet is aangetoond dat het verblijfsrechtelijk voordeel kennelijk de enige reden is, wordt het verhaal gegrond verklaard en moet de wettelijke samenwoning alsnog worden geregistreerd. Dit onderstreept dat “schijn” niet lichtvaardig wordt aangenomen en dat de bewijsvoering voldoende scherp moet zijn om het streng geformuleerde criterium te dragen.