Hoedanigheid om op te treden in rechte
Een tijdelijke maatschap is een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid. Dat statuut heeft belangrijke gevolgen voor de procesvoering. De maatschap kan niet op dezelfde wijze optreden als een rechtspersoon: zij beschikt niet over een eigen, autonome proceshoedanigheid die losstaat van haar vennoten.
Wanneer in een procedure een proceshandeling wordt gesteld namens een tijdelijke maatschap (bijvoorbeeld een verzoek tot tussenkomst), is die proceshandeling slechts ontvankelijk indien zij uitgaat van alle vennoten samen, geldig optredend. Het gaat dus niet om een louter formalistische vereiste, maar om een rechtstreeks gevolg van de structuur van de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid: de maatschap bestaat juridisch enkel via haar vennoten, zodat een optreden “namens de maatschap” noodzakelijkerwijs een gezamenlijk optreden van de vennoten veronderstelt.
Daaruit volgt ook een tweede regel: een vennoot die in eigen naam optreedt, kan niet in naam van de maatschap handelen. Het optreden “in eigen naam” kan hoogstens betrekking hebben op het persoonlijke belang of de persoonlijke positie van die vennoot, maar het verleent geen procesrechtelijke bevoegdheid om de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid te vertegenwoordigen of om namens die vennootschap proceshandelingen te stellen. Wie de maatschap in rechte wil laten optreden, moet dat doen als vennoot in de hoedanigheid van vennoot, en dit samen met alle andere vennoten.
Het bewijs dat alle vennoten optreden
In de praktijk rijst vaak de vraag hoe men bewijst dat een proceshandeling daadwerkelijk uitgaat van alle vennoten. Vooral wanneer het gaat om een maatschap waarvan de samenstelling kan variëren, kan discussie ontstaan over de volledigheid van de vertegenwoordiging.
Het uitgangspunt blijft dat de proceshandeling slechts ontvankelijk is als alle vennoten gezamenlijk optreden. Wordt betwist dat de optredende partijen de enige vennoten zijn, dan ontstaat een bewijsprobleem: men vraagt in wezen het bewijs dat er géén andere vennoten bestaan.
Bewijs van een negatief feit: waarschijnlijkheid volstaat
Het bewijs dat er geen bijkomende vennoten zijn, is een voorbeeld van het bewijs van een negatief feit. Zulke bewijslast kan theoretisch “oneindig” lijken, omdat men niet alle mogelijke tegenvoorbeelden kan uitsluiten. Het bewijsrecht aanvaardt echter dat een negatief feit wél kan worden bewezen.
Wel wordt daarbij de bewijsstandaard aangepast aan de aard van het feit. Bij een negatief feit mag genoegen worden genomen met het aantonen van de waarschijnlijkheid ervan. Het volstaat dus niet noodzakelijk dat absolute zekerheid wordt geleverd; het komt erop aan dat, gelet op de beschikbare gegevens en bij gebrek aan aanwijzingen in de andere zin, het negatief feit als voldoende aannemelijk wordt beschouwd.
In dit kader kan onder meer belang worden gehecht aan objectieve gegevens waaruit de samenstelling van de maatschap blijkt (zoals officiële registraties of administratieve bronnen), én aan het ontbreken van elementen die wijzen op bijkomende vennoten. Indien niets erop wijst dat er andere vennoten zijn dan degenen die optreden, kan het negatief feit — “er zijn geen andere vennoten” — als waarschijnlijk bewezen worden geacht.
Een loutere bewering dat het bewijs van een negatief feit nooit kan volstaan, wordt niet aanvaard. Wie betwist dat alle vennoten optreden, zal minstens een concrete aanwijzing moeten aanbrengen die het bestaan van andere vennoten aannemelijk maakt, of op zijn minst het aannemelijkheidsbewijs ernstig ondergraaft.
Praktisch gevolg
Deze benadering levert een evenwicht op. Enerzijds wordt het principe bewaakt dat een maatschap enkel geldig in rechte kan optreden via alle vennoten samen. Anderzijds wordt vermeden dat dit principe leidt tot een onmogelijke bewijsopdracht waarbij men een absolute, sluitende negatieve bewijsvoering moet leveren. De maatstaf van waarschijnlijkheid maakt het recht werkbaar zonder de procesrechtelijke waarborgen te verlaten.
Share