Inleiding
In discussies over erfbelasting met internationale aanknopingspunten komt één vraag vaak centraal te staan: waar had de erflater zijn fiscale woonplaats op het ogenblik van overlijden? Het antwoord bepaalt in belangrijke mate welk vermogen in de heffing wordt betrokken en onder welke regels. De Vlaamse Codex Fiscaliteit vertrekt daarbij niet van formele inschrijvingen of administratieve vermeldingen, maar van het werkelijke leven van de erflater. Het hof van beroep te Gent bevestigt in een arrest van 17 september 2024 deze benadering en verduidelijkt tegelijk hoe buitenlandse samenlevingsvormen, zoals het Nederlandse geregistreerd partnerschap, fiscaal moeten worden ingeschat voor het tarief tussen partners.
Rijksinwonerschap en fiscale woonplaats: geen formaliteit maar een feitenkwestie
Voor de erfbelasting is een rijksinwoner de persoon die op het ogenblik van zijn overlijden binnen het Rijk zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen heeft gevestigd. Het kernbegrip is het “werkelijke domicilie”. Daarmee wordt bedoeld: de werkelijke, effectieve en voortdurende woonplaats binnen het Rijk waar de erflater zijn familie, het centrum van zijn bedrijvigheid en de zetel van zijn zaken of bezigheden heeft.
Die benadering impliceert dat het wettelijk domicilie op zich niet doorslaggevend is. De beoordeling gebeurt aan de hand van concrete feitelijke elementen, zoals de permanentie van bewoning en gegevens die verband houden met de professionele, administratieve, financiële, fiscale en familiale toestand van de erflater.
De rol van de nalatenschapsaangifte en de bewijslast
Wanneer in de nalatenschapsaangifte wordt verklaard dat de laatste fiscale woonplaats van de erflater in Vlaanderen was gelegen, en daarbij het volledige vermogen wordt aangegeven, krijgt die verklaring gewicht. Zeker wanneer de aangifte door de betrokken erfgenaam mee werd ondertekend.
In die context oordeelt het hof dat de bewijslast bij de betwister ligt: wie achteraf stelt dat de erflater géén Vlaams rijksinwoner was, moet dat aantonen. Een verwijzing naar een toelichtende nota bij de aangifte volstaat niet om de duidelijke vermeldingen in de aangifte opzij te zetten, zeker niet wanneer die nota slechts beoogt het tarief tussen partners en bepaalde vrijstellingen te vragen.
Feitelijke elementen: hoe wordt het werkelijke domicilie afgetoetst?
In de voorliggende beoordeling stelde een partij dat de erflater in werkelijkheid sinds jaren in Nederland woonde bij zijn partner, ondanks het behoud van een appartement in Turnhout. Volgens die stelling was de Nederlandse woning de feitelijke hoofdverblijfplaats, onder meer omdat de erflater er zou samenwonen, er aankopen gebeurden, en er activiteiten werden uitgeoefend.
Het hof volgt die redenering niet en bevestigt dat het aangeleverde bewijs onvoldoende is om een effectieve en voortdurende verplaatsing van het werkelijke domicilie naar Nederland aan te tonen. Daarbij wordt een brede waaier aan concrete elementen afgewogen.
Fiscaal gedrag en aangiften als indicatie van woonplaats
Het hof hecht belang aan het feit dat de erflater zichzelf jarenlang als Belgisch rijksinwoner voor fiscale doeleinden beschouwde. Er werden aangiften in de Belgische personenbelasting ingediend en er waren betalingen in België. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat fiscale gedragingen een belangrijke spiegel vormen van waar iemand zijn werkelijke belangen situeert.
Beheer van vermogen en keuzes omtrent erfrecht
Ook keuzes inzake vermogensbeheer en testamentaire planning kunnen indicatief zijn. Zo wordt meegewogen dat de erflater een Belgische notaris raadpleegde om in België een testament te verlijden met rechtskeuze voor het Belgisch erfrecht. Het hof ziet hierin een uiting van de wil om zijn vermogen verder in België te beheren.
Mobiliteit, parking en lidmaatschappen: te zwak als zelfstandig bewijs
Elementen zoals de inschrijving van een voertuig in België en een parkeerabonnement in Nederland worden afzonderlijk onderzocht. Een parkeerabonnement in Nederland toont volgens het hof hoogstens dat de erflater er regelmatig verbleef, maar niet dat hij er zijn werkelijke domicilie vestigde.
Ook lidmaatschappen van een sportclub of bridgeclub in Nederland worden onvoldoende geacht: ze zijn te weinig tijdsspecifiek en bewijzen niet dat de erflater op het ogenblik van overlijden zijn centrum van belangen naar Nederland had verplaatst.
Nutsverbruik: nuttig, maar enkel in samenhang te beoordelen
Het verbruik van nutsvoorzieningen geeft aanwijzingen over verblijf, maar vereist voorzichtigheid. Dat het verbruik in Nederland hoger ligt dan in Antwerpen volstaat niet. Indien het Belgische appartement enkel een tweede verblijf zou zijn, zou een veel lager verbruik verwacht kunnen worden. Het hof stelt vast dat ook in Antwerpen werd verbleven en dat het verbruik er niet zodanig laag is dat een effectief verblijf ongeloofwaardig wordt.
Financiële sporen: bankrekeningen en transacties als concrete ankerpunten
Een belangrijk gewicht wordt toegekend aan de financiële realiteit. De erflater beschikte over meerdere Belgische bankrekeningen en zelfs een rekeningafschrift van een Nederlandse bank was geadresseerd aan het adres in Antwerpen. Uit Belgische rekeninguittreksels blijkt bovendien een patroon van talrijke transacties in België, waaronder overschrijvingen, betalingen, geldafhalingen, huur van een bankkluis, voertuigonderhoud, telecomabonnementen en dienstencheques.
Daartegenover staan betalingen in Nederlandse winkels via een Nederlandse rekening, maar zonder volledig overzicht van alle uitgaven kan het hof het belang ervan in het geheel niet correct wegen. Het bewijs van sporadische of deels gedocumenteerde uitgaven in Nederland is onvoldoende om het centrum van belangen te verleggen.
Medische verzorging en sociale aansluiting als bijkomende factor
Dat de erflater zich regelmatig in het Antwerpse medisch liet verzorgen speelt eveneens mee. Een verklaring dat dit uitsluitend gebeurde om terugbetaling te krijgen, wordt niet aangetoond. Bovendien sluit aansluiting bij een Belgische mutualiteit niet noodzakelijk uit dat medische kosten in Nederland konden worden terugbetaald.
Getuigenverklaringen: niet beslissend wanneer objectieve gegevens anders wijzen
Ook getuigenverklaringen van buren worden niet doorslaggevend geacht wanneer ze in algemene bewoordingen blijven en botsen met objectieve gegevens, zoals herhaalde financiële verrichtingen in Antwerpen.
Het hof besluit dat het geheel van feiten die in België situeren niet wordt tenietgedaan door de aangehaalde elementen in Nederland. Het rijksinwonerschap in Vlaanderen blijft overeind.
Het tarief tussen partners: gelijkstelling van een Nederlands geregistreerd partnerschap
Naast de woonplaatskwestie wordt ook geoordeeld over het tarief in de erfbelasting. De erfbelasting wordt berekend volgens een tarief dat afhangt van de verwantschap met de erflater. Er bestaat een gunsttarief voor verkrijgingen in rechte lijn en tussen partners, tegenover een beduidend zwaarder tarief voor verkrijgingen tussen andere personen.
De vraag is dan of de langjarige partner van de erflater als “partner” kan worden beschouwd. Vast staat dat partijen in 2002 een geregistreerd partnerschap naar Nederlands recht afsloten.
Het hof oordeelt dat dit geregistreerd partnerschap voor fiscale doeleinden kan worden gelijkgesteld met een huwelijk. De verschillen tussen huwelijk en geregistreerd partnerschap zijn volgens het hof niet van aard om die gelijkstelling voor het tarief tussen partners aan te tasten. Het element van ontbinding is daarbij niet relevant voor de fiscale beoordeling.
Het hof wijst erop dat het Nederlandse recht belangrijke rechtsgevolgen van het huwelijk van overeenkomstige toepassing verklaart op het geregistreerd partnerschap. Daarmee gaat het om rechten en plichten zoals onderhoudsplicht, het dragen van de huishoudkosten, een vermogensrechtelijke regeling, en erfrechtelijke gevolgen. Bovendien wordt de geregistreerde partner in de Nederlandse erfbelasting op dezelfde wijze belast als een echtgenoot.
Subsidiaire benadering: minstens gelijk aan wettelijke samenwoning
Het hof voegt daaraan toe dat, zelfs indien men het geregistreerd partnerschap niet als huwelijk zou willen zien, het minstens gelijk te stellen is met wettelijke samenwoning zoals bedoeld in de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Het geregistreerd partnerschap wordt geregistreerd bij de overheid en biedt, in termen van rechten en plichten, minstens een vergelijkbare – zelfs sterkere – bescherming dan de wettelijke samenwoning. Voor het verlaagd tarief is het relevant dat voor wettelijk samenwonenden geen bijkomende voorwaarden inzake effectieve samenwoning gelden, in tegenstelling tot feitelijk samenwonenden.
Gevolg: herberekening van de aanslag
Uit de gelijkstelling volgt dat de verkrijger als partner moet worden beschouwd en dus aanspraak maakt op het tarief voor verkrijgingen in rechte lijn en tussen partners. De aanslag moet in die zin worden herberekend.
Slotbeschouwing
Dit arrest illustreert twee belangrijke lijnen in de erfbelasting. Ten eerste blijft de beoordeling van fiscale woonplaats in essentie feitelijk en geïntegreerd: niet één element is doorslaggevend, maar de samenhang van administratieve, financiële, sociale en praktische sporen. Ten tweede toont het hof bereidheid om buitenlandse relationele statuten functioneel te interpreteren, zodat een buitenlandse samenlevingsvorm die juridisch en sociaal sterk aansluit bij het huwelijk, ook fiscaal gelijkwaardig kan worden behandeld voor het tarief tussen partners.
Share