Krachtens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij wet is ingesteld.
Een tuchtprocedure die voor gevolg heeft, of, volgens de nationale wet, tot gevolg kan hebben dat aan de betrokkene tijdelijk of definitief een burgerlijk recht wordt ontnomen, met name het recht om nog langer een beroep uit te oefenen dat geen openbaar ambt is, wordt voor de toepassing van voormelde verdragsbepaling beschouwd als een procedure met als voorwerp het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van die bepaling.
Het staat aan de rechter om in het licht van de omstandigheden van het geval en met inachtneming van de complexiteit ervan, de houding van de tuchtrechtelijk vervolgde persoon en deze van de tuchtoverheid, in feite te oordelen of de redelijke termijn tussen de beschuldiging en de beoordeling is overtreden.
Indien de feiten waarop de tuchtvordering wordt gestoeld eveneens als misdrijf kunnen worden omschreven, kan de rechter ook rekening houden met de omstandigheid dat het, naargelang de bijzonderheden van het geval, verantwoord kan zijn het resultaat van de strafvordering af te wachten, vooraleer op tuchtrechtelijk vlak een beslissing wordt genomen. Aldus kan de ernstige betwisting van de feiten door de tuchtrechtelijk vervolgde persoon of de omstandigheid dat er geen concreet bewijs van deze feiten voorligt, een element zijn dat een uitstel van de tuchtvervolging kan verantwoorden.
De redelijke termijn begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de betrokkene door de tuchtoverheid wordt beschuldigd.
Dit is het geval wanneer hij in verdenking wordt gesteld wegens het plegen van een tuchtrechtelijk sanctioneerbaar feit of wanneer hij wegens enige daad van onderzoek onder de dreiging van een tuchtvervolging leeft en dit een ernstige weerslag heeft op zijn persoonlijke toestand.
De enkele aanwezigheid van een lid van de raad van de Orde bij een huiszoeking door een onderzoeksrechter bij een lid van de betrokken beroepsgroep beoogt de bescherming van het beroepsgeheim en impliceert niet dat de orde zelf daden van onderzoek of vervolging stelt ten laste van de betrokken beroepsbeoefenaar of kennis heeft van de feiten die tot een sanctie aanleiding zouden kunnen geven.
De tuchtrechter is gebonden door hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist.
De beslissing van de strafrechter betreft niet de termijn waarbinnen de tuchtvordering werd behandeld, zodat de tuchtrechter het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke beslissing niet kan miskennen door in dergelijk geval te beslissen dat de redelijke termijn voor de behandeling van de tuchtzaak niet werd overschreden.
Het aanvangspunt van de redelijke termijn in tuchtzaken valt niet noodzakelijk samen met het aanvangspunt van de redelijke termijn in strafzaken, ook al maken de feiten waarvoor de betrokkene strafrechtelijk wordt vervolgd, tevens tuchtinbreuken uit.
In tuchtzaken begint de redelijke termijn immers te lopen vanaf het ogenblik waarop de betrokkene door de tuchtoverheid wordt beschuldigd van een tuchtinbreuk.
De beslissing van de strafrechter dat de redelijke termijn voor de behandeling van de strafvordering werd overschreden, impliceert niet noodzakelijk dat de redelijke termijn voor de behandeling van de tuchtvordering werd overschreden.