De wetgever heeft in artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek een limitatieve opsomming gegeven van wat als “gedingkosten” kan worden beschouwd. Dit is van belang omdat enkel deze kosten in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
Artikel 1018 Ger.W. noemt de volgende posten:
-
De dagvaardingskosten;
-
De registratierechten op de gerechtelijke beslissing;
-
De griffierechten;
-
De kosten voor het opvragen van attesten en andere stukken uit openbare registers;
-
De kosten voor bepaalde onderzoeksmaatregelen zoals plaatsopnemingen en getuigenverhoren;
-
De rechtsplegingsvergoeding;
-
De vergoedingen en kosten van vertaling, indien vereist door de rechter.
Deze opsomming benadrukt dat alleen strikt omschreven en noodzakelijk gemaakte uitgaven kunnen worden doorgerekend aan de verliezende partij. Andere uitgaven, zoals interne kosten van een onderneming of buitengerechtelijke kosten (tenzij met toepassing van buitencontractuele regels), vallen hier doorgaans niet onder.
Gedingkosten versus kosten van tenuitvoerlegging
Een belangrijk onderscheid moet worden gemaakt met de kosten van tenuitvoerlegging, geregeld in artikel 1024 Ger.W. Deze kosten ontstaan niet tijdens het proces, maar nadien, in het kader van de uitvoering van een uitvoerbare titel. Denk aan de kosten van een gerechtsdeurwaarder bij het betekenen of uitvoeren van een vonnis, zoals inbeslagnames of het bevel tot betaling.
Artikel 1024 Ger.W. bepaalt dat deze tenuitvoerleggingskosten afzonderlijk kunnen worden opgevraagd en ten laste van de schuldenaar vallen, indien zij op regelmatige wijze werden gemaakt. Zij maken géén deel uit van de gedingkosten zoals bedoeld in artikel 1018 Ger.W., en vallen dus ook niet onder de begroting van de rechtsplegingsvergoeding.
Voor wie procedeert, is dit onderscheid cruciaal. De terugvordering van gedingkosten volgt andere regels dan die van tenuitvoerleggingskosten. Bij de begroting van proceskosten moet men zich strikt houden aan artikel 1018 Ger.W.; bij de invordering van uitvoeringskosten wordt gekeken naar de noodzakelijkheid en redelijkheid zoals beoordeeld door de gerechtsdeurwaarder en, in voorkomend geval, de beslagrechter.
Voor een diepgaandere bespreking van deze problematiek, zie: Stefaan Voet en Charlotte Teeuwens, “Gedingkosten in burgerlijke zaken en de rechtsplegingsvergoeding in het bijzonder: een stand van zaken”, Rechtskundig Weekblad, 2024-2025, afl. 20, p. 1414.