De termijnen, ongeacht of ze conventioneel dan wel wettelijk zijn, voor het overmaken van aanspraken zijn vervaltermijnen.
Een geringe laattijdigheid is eveneens een laattijdigheid, ongeacht het concrete effect op de vertraging binnen de procedure van gerechtelijke vereffening en verdeling.
Dat de notaris-vereffenaar geen voorbehoud maakte in het proces-verbaal van overzicht, doet aan voorgaande vaststelling geen afbreuk.
Evenmin is het relevant dat de wet vooropstelt dat in het (proces-verbaal van) overzicht van de aanspraken enkel de tijdige aanspraken worden opgenomen ex artikel 1218, § 2 Ger.W.
Dat de niet de nietigheid van het overzicht werd gevorderd, is evenmin relevant, nog afgezien van het feit dat geen rechtsgrond bestaat om de nietigheid in te roepen of uit te spreken van een (proces-verbaal van) overzicht van aanspraken waarin laattijdige aanspraken toch zijn opgenomen.
Het verval (en de wering wegens laattijdigheid) vloeit voort uit de laattijdigheid en uit de overschrijding van de conventionele of wettelijke kalender.
De notaris-vereffenaar moet deze termijnregeling eveneens respecteren en heeft in de regel ook geen speelruimte of appreciatiemarge, in tegenstelling tot wat de geïntimeerde stelt in conclusies.
De kalender en de termijnregeling dringt zich eveneens op aan de notaris-vereffenaar.
Dat een partij of haar raadsman geen voorbehoud maakten, is evenmin terzake dienend.
Een vertrouwen dat aanspraken als tijdig zouden worden beschouwd is niet relevant.
Er is immers niet aangetoond waarop dit vertrouwen zou kunnen berusten.
Uit de (al dan niet onbewuste) verkeerde eenzijdige bevestiging van de uiterste termijn, kan uiteraard geen argument worden geput, aangezien anders oordelen zou betekenen dat louter eenzijdige termijnverlengingen zouden worden gehonoreerd, in weerwil van een conventionele of wettelijke kalender.
Het gebrek aan reactie of protest van de zijde van een partij of van de zijde van de notaris-vereffenaar levert geen bron van recht op termijnverlenging op.
Er kan geen toepassing worden gemaakt van de (bewijsrechtelijke) regel in handelszaken dat het gebrek aan protest van een aanspraakbevestiging een stilzwijgende aanvaarding inhoudt van deze aanspraak.
Er is geen sprake van een hierdoor opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen.
Ook het niet onverwijld inroepen van de sanctie van de wering van aanspraken wegens laattijdigheid levert geen afstand op van het recht deze sanctie alsnog in te roepen.
Van een miskenning van de wilsautonomie is er geen sprake, wanneer geen akkoord voorligt om de laattijdige aanspraken toch te aanvaarden.
Dat een partij niet deloyaal of niet abusief zou hebben gehandeld, is irrelevant, nu de sanctie van wering enkel de vaststelling vergt dat de aanspraken niet binnen de (conventionele of wettelijke) termijn zijn overgemaakt, zonder dat hieraan een specifieke vereiste van deloyaal handelen gekoppeld moet worden.
Kennelijke onredelijkheid is geen reden om de sanctie van wering of verval wegens laattijdigheid niet toe te passen.
Enkel overmacht verlengt de termijnen,