Essentieel voor een schenking is dat de schenker zich onmiddellijk ontdoet van de zaak en dat de begiftigde de goederen (en dus de schenking) aanvaardt (art. 894 oud B.W. - 4.132 (nieuw) BW ).
4.132 §2 (nieuw) BW stelt dienaangaande: "§ 2 Een schenking is een contract waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepelijk van het geschonken goed ontdoet, ten voordele van de begiftigde, die ze aanvaardt.".
Dat de schenker zich het vruchtgebruik over de geschonken goederen voorbehoudt, belet in principe de geldigheid van de schenking niet (art. 899 oud B.W. - 4.133 (nieuw) BW).
Deze principes blijven gelden voor de schenking bij handgift maar bijkomend geldt de essentiële vereiste dat de schenker zich (onmiddellijk) ontdoet van de roerende goederen bij wijze van materiële overdracht of traditio. De traditio heeft dan ook tot gevolg dat de begiftigde de geschonken goederen van dan af “in handen heeft”.
De schenking wordt vervolgens voltrokken vanaf de aanvaarding door de begiftigde. Van dan af is de begiftigde eigenaar en kan hij de rechten als eigenaar uitoefenen.
Het is niet steeds en zonder meer uitgesloten dat een handgift gepaard gaat met een voorbehoud van vruchtgebruik. Waar in de regel weliswaar geldt dat de vruchtgebruiker de materiële houder van de zaak is, is het nochtans van geval tot geval mogelijk dat de blote eigenaar in het materiële bezit wordt gesteld van de roerende goederen zonder dat dit het bestaan en de uitoefening van het recht van vruchtgebruik in hoofde van de vruchtgebruiker in de weg staat.
Het is immers mogelijk om bij wijze van afspraken het materiële houderschap over de goederen tussen blote eigenaar en vruchtgebruiker te regelen.
Verder dient de traditio bewezen, lees de materiële afgifte.
Zo dient bij een schenking van aandelen via handgift met voorbehoud van vruchtgebruik het bewijs te worden geleverd van de traditio, namelijk dat de aandelen materieel werden overgedragen aan de begiftigde.
De vermelding dat de schenking bij handgift zou gebeurd zijn, kan hoogstens een feitelijk element zijn dat, samen met andere vaststaande feiten, gewichtige, bepaalde en overeenstemmende vermoedens voor de traditio levert.
Ook de registratie van een éénzijdige verklaring uitgaande enkel van de schenker die gewag maakt van de schenking is hiervan geen voldoende bewijs.
Bij gebrek aan bewijs van de schenking zijn successierechten verschuldigd op de geschonken aandelen