Het begrip goede trouw wordt in ons recht in twee betekenissen gebruikt. in een objectieve betekenis gaat het om de gedragsnorm te goeder trouw te handelen, bijvoorbeeld de verplichting voor een contractspartij tot loyauteit en samenwerking bij de uitvoering van het contract (oud artikel 1134, derde lid, BW, artikel 5.73 BW). Daarnaast is er de hier bedoelde subjectieve goede trouw. Hiermee wordt bedoeld het “niet kennen” of “niet behoren te kennen” van bepaalde rechtsfeiten of rechtshandelingen. Toepassingen zijn te vinden in o.m. artikel 2279 BW, artikel 1 Hyp.W., artikel 25 Pandwet en artikel 3.30, § 2 nieuw BW.
• De subjectieve goede trouw bestaat aldus uit de kennis die men heeft of behoort te hebben van een bepaald feit, een recht of een rechtstoestand, dan wel de veronderstelling dat de burger juist geen kennis, heeft, kan hebben of behoorde te hebben van bepaald feit, recht of rechtstoestand.
In de regel wordt de subjectieve goede trouw negatief geformuleerd in de zin van het subjectieve niet weten of niet kennen en ook niet behoorde te weten of te kennen.
De subjectieve kwade trouw wordt dan het weten of kennis hebben van een bepaald feit, van een recht of van een rechtstoestand, dan wel het niet effectief weten, daar waar het rechtssubject had moeten weten.
Rechtsfeiten en rechtshandelingen zijn in beginsel tegenwerpelijk erga omnes. Dit wil zeggen dat ze gelden tegenover derden ongeacht of die kennis hebben van het bestaan ervan. soms worden de derden echter beschermd doordat deze tegenwerpelijkheid afhankelijk wordt gemaakt van hun kennis. Welnu, hun goede trouw wordt vermoed (eerste lid). Op de derden rust in beginsel geen onderzoeksplicht. evenwel wordt aangenomen dat men niet te goeder trouw is wanneer men de feiten of het recht weliswaar niet kende, maar in de gegeven omstandigheden had behoren te kennen (tweede lid). Te denken valt aan twee gevallen.
In de eerste plaats kan de wet voorzien in een systeem van publiciteit dat derden geacht worden te raadplegen. Dit is het geval voor de hypothecaire publiciteit bij onroerendgoedtransacties. indien bijvoorbeeld een verkoop van een onroerend goed werd overgeschreven in het hypotheekregister, dan zal die verkoop tegenwerpelijk zijn aan een derde (bijvoorbeeld een tweede koper), ook al had deze geen weet van de koop. Hij kan geen beroep doen op zijn onwetendheid omtrent het bestaan van de koop aangezien hij hiervan kennis had kunnen krijgen door de raadpleging van het register. mocht de koop niet zijn overgeschreven in het register dan is hij enkel niet te goeder trouw indien hij kennis had van de koop (artikel 1. Hyp.W. en artikel 3.30, § 2 nieuw BW). Ons recht kent uiteenlopende vormen van publiciteit (pandregister, beslagberichten, balanscentrale e.a.). Het bestaan van publiciteit betekent nog niet dat op een derde in al deze gevallen de verplichting rust om deze gepubliceerde gegevens te raadplegen ten einde zijn goede trouw te behouden. Dit moet geval per geval worden beoordeeld rekening houdend met de finaliteit van de betrokken publiciteit.
Buiten de hypothese van bekendgemaakte gegevens die door de derde moeten worden geraadpleegd, zijn er de gevallen waarin de rechter oordeelt dat de derde, ongeacht of deze de feiten of het recht al dan niet kende, in de gegeven omstandigheden deze had behoren te kennen. De onwetendheid berust met andere woorden op diens onzorgvuldigheid. iedere normaal persoon zou in gelijke omstandigheden zich nader hebben geïnformeerd. Het aannemen van een dergelijke onderzoekplicht zal afhangen van de concrete omstandigheden (bijvoorbeeld de hoedanigheid van de derde). een klassiek voorbeeld is de onderzoeksplicht die wordt opgelegd aan handelaren van tweedehandsvoertuigen naar de eigendomstitels van hun verkopers. Zij moeten nagaan of hun verkopers wel degelijk eigenaar zijn van de voertuigen en of het niet gaat om geleasede voertuigen of voertuigen gekocht onder eigendomsvoorbehoud.
Uittreksel uit het NBW
Art. 1.9 Subjectieve goede trouw
De goede trouw wordt vermoed.
Een persoon is te kwader trouw, wanneer hij de feiten of de rechtshandeling, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende of in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen.