De rechter heeft veeleer een toezichthoudende rol, in die zin dat hij de stellingen van de notaris toetst en elk geschilpunt definitief beslecht met een uitspraak die gezag van gewijsde heeft. In die zin begeleidt hij de vereffening en verdeling in de mate dat zijn tussenkomt onontbeerlijk is.
De taak van de rechter is beperkt tot enerzijds – in de aanvangsfase – het bevelen van de vereffening-verdeling met de aanstelling van de notaris en anderzijds – in de eindfase – de eventuele homologatie van de staat van vereffening. Het optreden van de rechter wordt op die manier tot een minimum herleid. De rechter treedt nadien enkel nog op wanneer het verdere verloop van de procedure onmogelijk is geworden omdat ernstige problemen zijn ontstaan of wanneer partijen er niet in slagen om tot een akkoord te komen.
Alleen de notaris is bevoegd om de staat van vereffening op te stellen: hij heeft het monopolie. De rechter kan het werk van de notaris-vereffenaar niet overdoen of niet in zijn plaats doen. De staat van vereffening is dan ook het persoonlijk werk van de notaris-vereffenaar, waarin deze de massa beschrijft in haar actieve en passieve bestanddelen, de rechten bepaalt van de partijen in een becijferde staat en de kavels samenstelt.
De notaris-vereffenaar heeft een trekkersrol en de wetgever erkent hem daarin, getuige de talrijke tools die hem ter beschikking worden gesteld om de vereffeningverdeling uit het gebeurlijke slop te halen. In tegenstelling tot de rechter, die enkel uitspraak doet over vorderingen en de hiermee verband houdende geschilpunten (feitelijke en rechtsvragen) beslecht, heeft de notaris-vereffenaar een constructieve rol: hij creëert “iets” vanuit het niets. Hij moet immers de pen houden van de staat van de vereffening (gekoppeld aan een voorstel tot verdeling).
De rechter is van zijn kant onbevoegd om zelf een vereffening op te stellen. Indien hij daartoe toch in zekere mate overgaat, schendt hij artikel 1207 Ger.W. en gaat hij zijn taak te buiten. De rechter beveelt slechts de vereffening-verdeling, maar hij moet krachtens de wet de partijen hiervoor verwijzen naar de notaris, waarbij het niet uitgesloten is dat partijen nadien niet meer opnieuw naar de rechter stappen, met name indien – behoudens de hypothese dat ze alsnog een dading afsluiten – zij de staat van vereffening goedkeuren of nalaten zwarigheden in te roepen.
Ook heeft de rechter, buiten het beslechten van de door de notaris aangebrachte geschilpunten, geen enkele injunctiebevoegdheid t.a.v. de notaris-vereffenaar. Met toepassing van artikel 1223, § 4 Ger.W. beslecht de rechtbank enkel de geschillen of moeilijkheden, die in de regel bovendien enkel door de notaris-vereffenaar zelf aanhangig kunnen worden gemaakt. De specifieke verhouding tussen de notarisvereffenaar en de rechter blijkt overigens ook uit het woordgebruik van de wetgever, o.a. in artikel 1223, § 4 Ger.W. Nadat de door de notaris-vereffenaar aangebrachte geschillen of moeilijkheden door de rechter zijn beslecht is er hetzij sprake van een homologatie van de staat van vereffening dan wel van een terugverzending van de staat van vereffening aan de notaris-vereffenaar. In die laatste hypothese dient de notaris-vereffenaar een aanvullende staat van vereffening op te maken overeenkomstig de richtlijnen die de rechtbank geeft. De notaris-vereffenaar legt de volledige puzzel, de rechter reikt hem hoogstens de buitenrandstukjes aan.
Bovendien wordt de rechter in het raam van de bezwaren tegen de staat van vereffening enkel en alleen gevat door de bezwaren, vervat in het proces-verbaal van bezwaren tegen de staat van vereffening.
Er kunnen in deze (fase van de) rechtspleging geen zelfstandige vorderingen of aanspraken worden geformuleerd.
De rechter kan niet wordt gevat door een louter voorbehoud. Een voorbehoud is immers geen (punt van de) vordering, in de zin van artikel 1138, 3° Ger.W., noch een gevorderde zaak in de zin van artikel 1138, 2° Ger.W.
(…)