De wetgever heeft de tuchtvordering tegen notarissen niet onderworpen aan een verjaringstermijn.
In antwoord op de vraag met welke criteria er dan dient rekening gehouden kan verwezen naar een uitspraak van het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 4 februari 2010 (nummer 8/2010, rolnummer 4723) waarin gesteld werd dat uit het feit dat de wetgever geoordeeld heeft zelf de redelijke termijn te moeten vaststellen waarbinnen een tuchtvordering tegen een advocaat, een magistraat of een griffier moet worden ingesteld, terwijl hij de rechter die termijn laat bepalen wanneer de tuchtvordering is gericht tegen een gerechtsdeurwaarder, niet volgt dat hij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou hebben geschonden, maar volgt hieruit dat de rechter de termijn in concreto dient te beoordelen.
De tuchtvordering tegen de notaris ingesteld, moet aldus evenzeer aan de redelijke termijn worden getoetst.
Bij de toetsing van de redelijke termijn dient de rechtbank voorts in dezelfde gedachtegang niet enkel rekening te houden met de concrete omstandigheden van de zaak, zoals de rechtsonzekerheid die de tuchtvervolging kan creëren en de omstandigheid dat, indien de feiten eveneens als een misdrijf kunnen worden omschreven, het verantwoord kan zijn het resultaat van de strafvordering af te wachten vooraleer op tuchtrechtelijk vlak een beslissing wordt genomen, maar ook met de duiding die de wetgever geeft met betrekking tot wat de redelijke termijn voor de tuchtrechtelijke vervolging van vergelijkbare categorieën van mede werkers van het gerecht behoort te zijn, in die mate dat de wetgever voor deze vergelijkbare categorieën klaarblijkelijk oordeelt dat slechts een zeer korte termijn van 6 tot 12 maanden als redelijk beschouwd kan worden.
De zeer korte termijnen van 6 tot 12 maanden die de wetgever bepaalt voor de tuchtrechtelijke vervolging van magistraten, griffiers en advocaten, strekt er niet enkel toe de tuchtrechtelijk vervolgde medewerkers van het gerecht te behoeden voor een al te lange periode van rechtsonzekerheid met betrekking tot de tuchtrechtelijke gevolgen van de hen ten laste gelegde feiten, maar dienen in de eerste plaats het algemeen belang van het publiek en de goede werking van het gerecht.
In die zin zijn deze korte verjaringstermijnen ook en vooral verantwoord door het feit dat haast onmiddellijk tuchtrechtelijk moet worden ingegrepen tegen bepaalde ambtsdragers, wanneer zij door hun daden afbreuk doen aan de waardigheid van hun ambt en de goede werking van de gerechtelijke en openbare administratie en het rechtmatig vertrouwen van het publiek mag hebben in de rechtschapenheid, eerlijkheid en kiesheid van de personen die medeverantwoordelijk zijn voor de goede rechtsbedeling en de rechtszekerheid.
In diezelfde optiek heeft de wetgever de redelijke termijn voor de tuchtrechtelijke vervolging van magistraten, griffiers en advocaten doen aanvangen niet op het ogenblik waarop de tuchtrechtelijk vervolgde persoon kennis krijgt van het feit dat een tuchtvordering tegen hem kan worden ingesteld, noch op het ogenblik waarop deze tuchtvordering daadwerkelijk ingesteld wordt zodat hij zich hiertegen moet verweren, maar wel vanaf het ogenblik waarop de betrokken tuchtoverheid kennis krijgt van de feiten die een eventuele tuchtvordering verantwoorden.
Om dezelfde reden heeft de wetgever – hierin gevolgd door het Hof van Cassatie in zijn rechtspraak – de tuchtvervolging tegen magistraten, griffiers en advocaten volledig losgekoppeld van een eventuele strafvervolging en haar gevolgen. Het Grondwettelijk Hof stelt ter zake weliswaar dat het in bepaalde omstandigheden verantwoord kan zijn om het resultaat van een eventuele strafvervolging af te wachten, alvorens dat een beslissing wordt genomen over een eventuele tuchtvordering, doch niet dat een eventuele strafvervolging kan verantwoorden dat de tuchtvordering zelf niet wordt ingesteld tot na de einduitspraak over de strafvordering.
De strafvordering en de tuchtvordering zijn van een geheel andere aard.
Zo is de tuchtrechter niet gebonden door het oordeel van de strafrechter en staat een strafrechtelijke vrijspraak een tuchtrechtelijke veroordeling per se niet in de weg. Bij de beoordeling van de redelijke termijn dient de rechtbank enkel na te gaan of de strafprocedure en de uiteindelijke strafrechtelijke veroordeling invloed hebben gehad op het ogenblik waarop de bevoegde tuchtrechtelijke overheid kennis had of behoorde te hebben van de feiten die verweerder ten laste worden gelegd en een tuchtrechtelijke vervolging verantwoorden. Hierbij dient niet uit het oog te worden verloren dat, voor zover de tuchtvordering tijdig werd ingesteld, de tuchtrechter naar gelang de omstandigheden zijn oordeel kan of moet uitstellen tot na de uitspraak over een eventuele strafvordering.