Krachtens artikel 17.1 CMR-Verdrag is de (onder)vervoerder aansprakelijk voor het geheel of gedeeltelijk verlies en voor de beschadiging van de goederen, welke ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering, alsmede voor vertraging in de aflevering. Dit geldt eveneens voor de beschadiging van de goederen tijdens de laad- of losoperatie (artikel 17.1 j° 17.4.c CMR-Verdrag).
De vervoerder heeft op grond van artikel 17.1 CMR-Verdrag een resultaatsverplichting, hetgeen met zich meebrengt dat op de vervoerder een risicoverantwoordelijkheid rust, gesteund op een vermoeden van fout.
De rechthebbende moet slechts bewijzen dat de beschadiging aan de goederen zich voordeed tijdens het vervoer. Dit kan middels de CMR-vrachtbrief.
Bij het vervoer van levensmiddelen geldt een hogere verantwoordelijkheid en een verhoogde zorgvuldigheidsverplichting in hoofde van een professionele vervoerder ingevolge de nationale en Europeesrechtelijke dwingende regelgeving.
Het Koninklijk besluit van 18 september 2016 bepaalt de regels voor het internationaal wegvervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (BS 20 oktober 2016). Krachtens dit besluit mag een internationaal wegvervoer van bederfbare levensmiddelen enkel worden vervoerd met een aangepast vervoermiddel, in dit geval een vrachtwagen met koeling.
Dergelijke koelwagens dienen te beschikken over een Europees gelijkvormigheidsattest (of ATP-certificaat), na controle van de wettelijke vereisten door een Europees erkend keuringsstation (www.unece.org). Het certificaat dient aan boord te zijn van het vervoermiddel tijdens het vervoer.
De Verordening (EG) 178/2002 stelt de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving vast en vereist dat in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen een hoog beschermingsniveau voor de volksgezondheid en de belangen van de consument in aanmerking wordt genomen (artikel 1 Verordening). Deze bepalingen zijn ook van toepassing op de vervoerder van levensmiddelen (artikelen 3.2 en 4.1 j° 17.1 Verordening).
Op de vervoerder rust aldus een zwaardere verantwoordelijkheid om de instructies met betrekking tot de temperatuur die hij van zijn opdrachtgever heeft ontvangen, nauwgezet na te leven gedurende de hele periode dat hij de goederen onder zich heeft. De vervoerder moet over het gespecialiseerde en het nodige materiaal beschikken om ervoor te zorgen dat de vereiste temperatuur wordt gehandhaafd tijdens het vervoer.
Eventuele instructies om de lading onder of aan een bepaalde temperatuur te vervoeren worden in de regel vermeld in vakje 13 van de CMR-vrachtbrief. Dit brengt immers bijkomende verplichtingen mee voor de vervoerder, die bij het in ontvangst nemen van de goederen ook best de temperatuur zal opmeten en desgevallend een voorbehoud moet maken indien de temperatuur reeds afwijkt.