Overeenkomstig artikel 42, eerste lid, RSZ-Wet verjaren de schuldvorderingen van de RSZ op de werkgevers na 3 jaar vanaf de dag van de opeisbaarheid van de bedoelde schuldvorderingen. De verjaringstermijn gaat in na het verstrijken van de in artikel 34 van het KB van 28 november 1969 bedoelde termijn, dit is na de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal waarvoor bijdragen zijn verschuldigd. De verjaringstermijn vangt derhalve aan op respectievelijk 1 mei, 1 augustus, 1 november van hetzelfde jaar of 1 februari van het daaropvolgende jaar.
In afwijking van deze regel wordt overeenkomstig hetzelfde artikel de verjaringstermijn verlengd tot zeven jaar indien de schuldvorderingen van de RSZ het gevolg zijn van ambtshalve regularisaties na de vaststelling, bij de werkgever, van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige aangiften.
Er is geen wettelijke definitie van de «bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige aangifte». Een wettelijke omschrijving van de notie «sociale fraude» ontbreekt eveneens.
De door de eerste rechters geciteerde verwijzing naar de parlementaire wetsvoorbereiding verschaft inderdaad geen verheldering. In de memorie van toelichting is enkel te lezen: «Een uitzondering wordt evenwel ingevoerd voor de ambtshalve regularisaties ingevolge de vaststelling, bij de werkgever, van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige aangiften. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt immers steeds vaker geconfronteerd met nieuwe soorten bedrieglijke mechanismen waarvoor nieuwe onderzoekstechnieken nodig zijn en de Rijksdienst een beroep moet doen op invorderingstechnieken die zijn diensten doorgaans niet gebruiken. Voor deze gevallen is de verjaringstermijn vastgelegd op 7 jaar.» (Parl.St. Kamer, DOC 52 1607/001, 57).
In de rechtsleer wordt aangenomen dat uit de bewoordingen van artikel 42 van de RSZ-Wet afgeleid moet worden dat het bewijs van bijzonder opzet dient te worden geleverd opdat toepassing van dit artikel kan worden gemaakt (M. Dumont, «La préscription» in J.-F. Neven en S. Gilson (eds.), La sécurité sociale des travailleurs salariés, Brussel, Larcier, 316; M.-H. Vrieselinck, «Préscription» in C.-E. Clesse (ed.), Sécurité sociale - dispositions générales, Brussel, Bruylant, 2016, 285).
Bijzonder opzet gaat verder dan het louter wetens en willens handelen. Er moet sprake zijn van een bijzondere beweegreden, m.n. een intentie om schade te berokkenen of om zich een ongeoorloofd voordeel te verschaffen. Het louter niet toepassen van de wet van de uitzendarbeid levert geen bewijs van een bijzonder opzet.
De RSZ heeft als eisende partij in een burgerlijk geschil de bewijslast van dit bijzonder opzet (zie artikel 870 Gerechtelijk Wetboek).
Het louter niet toepassen van de Uitzendarbeidswet levert geen bewijs van bijzonder opzet.