De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen, waarbij barema’s werden vastgelegd inzake de rechtsplegingsvergoeding, bepaalt uitdrukkelijk dat de door de barema’s voorgeschreven bedragen verhoogd kunnen worden of verlaagd kunnen worden door de rechter.
De curatoren roepen hun beperkte financiële draagkracht in en het kennelijk onredelijke van de situatie.
De curatoren zijn als gerechtelijke mandatarissen vermogensbeheerder over het patrimonium van de gefailleerde vennootschap. Hun inspanningen, zoals voeren van geschillen ter invordering van activa, zoals schadevergoeding wegens aansprakelijkheden, strekken ertoe dit vermogen te verhogen met als doel de uitbetaling via dividenden aan de schuldeisers te verhogen. De uitgaven die daartoe noodzakelijk zijn (beheerskosten, erelonen en gerechtskosten) zijn “kosten van de massa” die op dit vermogen verhaald kunnen worden. Vandaar dat het wettelijk begrip “financiële draagkracht” waarover de wet van 21 april 2007 spreekt, het nettovermogen is van het faillissement.
Dit nettovermogen is functioneel (kwalitatief), namelijk als netto bedoeld ten voordele van de schuldeisers. Wanneer de schulden de baten overtreffen, zoals in casu, is dit vermogen bovendien negatief. Er is dus in principe geen sprake van een “eigen” vermogen, waaruit kan worden afgeleid dat de “financiële draagkracht” als minimaal moet worden beschouwd.
Het tweede wettelijk criterium uit de wet van 21 april 2007 is “het kennelijk onredelijke karakter van de situatie”. Het kan niet de bedoeling zijn dat de curatoren zouden nalaten belangrijke financiële vorderingen te stellen (behalve wanneer ze kennelijk ongegrond zijn), enkel en alleen op basis van de overweging dat in geval van verlies van de procedure, rechtsplegingsvergoedingen ten laste van de massa zouden vallen die proportioneel gezien enorm zwaar zouden kunnen zijn. De curatoren vinden dit een “onredelijke situatie”. Er kan volgens hen dan ook geen hogere rechtsplegingsvergoeding worden toegekend dan die welke werd bepaald in het vonnis a quo. Ook mag het totaal der rechtsplegingsvergoedingen ten laste van één partij niet hoger kan zijn dan tweemaal de hoogst verschuldigde rechtsplegingsvergoeding – maximumtarief (Cass. 24 mei 2018, RW 2018-19, 1545).
Enkel de partijen die ten onrechte ter zake werden gedagvaard en ten laste van wie alle vorderingen als ongegrond worden afgewezen, verkrijgen een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de curatoren. Het Hof volgt de curatoren en past het minimumtarief toe.
commentaar:
Wordt een curator in het gelijk gesteld dan komt de rechtsplegingsvergoeding in de boedel.
Wordt een curator veroordeeld tot de rechtsplegingsvergoeding dan kan deze veroordeling niet op het persoonlijk vermogen van deze gerechtsmandataris kunnen worden uitgevoerd. Deze regel geldt ook indien er sprake is van abusief of verstorend procesgedrag van deze gerechtsmandataris.
Een curator die door de rechter in het gelijk is gesteld, kan geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding, indien hij niet werd bijgestaan door een advocaat