Het bezwaar (of de zwarigheid, volgens de oude terminologie daterend van voor de wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening en verdeling) is het geschrift/procedurestuk, waarmee een partij aangeeft het oneens te zijn met de staat van vereffening: het geldt als de (schriftelijke) veruitwendiging of documentering van de tegenspraak (of de kritiek) van een partij tegen deze vereffeningsstaat.
Het laatste lid van artikel 1223, § 1 Ger.W. bepaalt: “Behoudens akkoord van de partijen betreffende de navolgende termijn beschikken de partijen over een termijn van een maand vanaf de dagtekening van de aanmaning om aan de notaris-vereffenaar en de andere partijen hun bezwaren met betrekking tot de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling bedoeld in artikel 1214, § 7, schriftelijk mee te delen”.
Deze termijn begint, zoals volgt uit voormelde wetsbepaling, te lopen na de aanmaning verstuurd door de notaris-vereffenaar om de bezwaren inzake de staat van vereffening mede te delen, zodat dit kwalificeert als begintermijn.
Enige soepelheid kan aanvaard in die zin dat de partijen reeds bezwaren kunnen laten gelden tegen de staat van vereffening nog voordat deze staat hen formeel werd betekend samen met de aanmaning, waarvan hoger sprake. Maar de staat van vereffening moet alleszins reeds bestaan, op het ogenblik dat bezwaren worden medegedeeld.
Een “ontwerp”-staat van vereffening is geen door de wet erkende rechtsfiguur: het Gerechtelijk Wetboek kent enkel een staat van vereffening, houdende het ontwerp van verdeling (zie artikel 1223, § 1 Ger.W.).
Tegen een ontwerp kan dan ook geen sprake rechtsgeldig bezwaar worden aangetekend.