De bijzondere legataris kan in de regel volstaan met een eis tot legaatsafgifte gericht tegen de erfopvolgers die de saisine hebben.
Een en ander vindt thans overigens ook uitdrukkelijk bevestiging in artikel 4.198 BW, dat stelt dat algemene legatarissen en legatarissen onder algemene titel die hun legaat hebben aanvaard, hetzij zuiver hetzij onder voorrecht van boedelbeschrijving, deelgenoten van de nalatenschap worden.
Schuldeisers moeten hun (door één of meer deelgenoten) betwiste schuldvordering in rechte laten uitklaren door de hiertoe bevoegde rechter ten gronde.
Deze rechtspraak lijkt af te wijken van de cassatierechtspraak en rechtsleer die stelt dat een legaat van het vruchtgebruik van de volledige nalatenschap een algemeen legaat is en dat de omvang van de goederen waarop het legaat betrekking heeft bepalend is en niet de aard van het toegekende recht (volle eigendom, blote eigendom of vruchtgebruik).
De bijzondere legataris van een geldsom treedt weliswaar op als een schuldeiser van de nalatenschap, maar hij is en blijft een begiftigde, in tegenstelling tot de “echte” schuldeisers van de nalatenschap .
De kwalificatie van de bijzondere legataris van een geldsom als nalatenschapsschuldeiser houdt enkel verband met het feit dat het voorwerp van dit legaat (met name een geldsom) impliceert dat de eigendomsoverdracht niet automatisch kan gebeuren door de aanvaarding van het legaat – bijzondere legaten van een species-zaak verlenen ex artikel 1014 BW aan de legataris, van de dag van het overlijden van de erflater, een recht op de vermaakte zaak – maar slechts door de betaling van deze som door de erfgenamen en legatarissen met een algemene roeping .
Artikel 1122 BW bepaalt dat men wordt geacht te hebben bedongen voor zichzelf en voor zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk bepaald is of uit de aard van de overeenkomst voortvloeit. Hierbij dient opgemerkt dat deze rechtsregel is opgenomen bij de wettelijke bepalingen die betrekking hebben op overeenkomsten.
Een legaat, zelfs van een geldsom, is niet inwisselbaar met de notie “schulden en lasten van de nalatenschap”: deze laatste notie veronderstelt schulden die de DC heeft gemaakt tijdens zijn leven of minstens schulden die na zijn overlijden ontstaan zijn en die rechtstreeks verband houden met dit overlijden (begrafeniskosten, kosten van vereffening en verdeling, enz.)
Anderzijds is de bijzondere legataris ook een begiftigde.
De bevoorrechte erfgenamen, zijn beschermd tegen de overdreven giften door hun reservebescherming: deze reserve kan uiteraard niet worden uitgehold door gewag te maken van de persoonlijke gehoudenheid van de erfgenamen van de DC met hun eigen vermogen voor bepaalde giften, c.q. bijzondere legaten van een geldsom .
Artikel 922 oud BW 4.153 (nieuw) BW bepaalt duidelijk dat de massa wordt gevormd uit alle goederen die bij het overlijden van de schenker of testator aanwezig waren. Na aftrek van de schulden, worden de goederen waarover hij bij schenking onder de levenden heeft beschikt, fictief daarbij gevoegd volgens hun staat en hun waarde zoals bepaald in artikel 858, §§ 3 tot 5 oud BW (4.18 tot 4.23 (nieuw) BW). Over al die goederen berekent men het gedeelte waarover hij heeft mogen beschikken, met inachtneming van de hoedanigheid van de door hem achtergelaten erfgenamen (eigen onderlijning van het Hof) .
Waar reservatairen, die hun reserve opeisen (en die de nalatenschap van de schenker/testator hiermee aanvaarden), niet beschermd zijn tegen de schulden van de DC, zijn deze wel beschermd tegen legaten, in zoverre hun reserve (berekend op basis van de netto-massa) aangetast zou zijn .
In beginsel zal appellante (pas) betaald worden na aftrek van de schulden, zoals bedoeld in artikel 922 BW, met wat nog overblijft van het beschikbaar deel .
10.4 De gelijkschakeling van de bijzondere legataris van een geldsom met een schuldeiser van de nalatenschap mag – besluitend – dan ook niet zo uitgelegd worden op de wijze die appellante voorstaat .
Legatarissen dienen hun legaat in beginsel uit te voeren en te laten gelden op de bestaande goederen, getuige het feit dat zij geen inbreng (artikel 857 oud BW - Art. 4.88, § 1 (nieuw) BW ) noch inkorting (artikel 921 oud BW - Art. 4.151 (nieuw) BW) kunnen eisen .
De definitie van testament ex artikel 893 oud BW (Art. 4.132, § 1 (nieuw) BW) illustreert dat de testator middels legaten in beginsel enkel kan beschikken over zijn goederen en niet over het vermogen van derden, ook niet dat van zijn erfgenamen .
Een legaat van andermans zaak is overigens nietig ex artikel 1021 oud BW (Art. 4.207 (nieuw) BW)..
Artikel 1009 oud BW (Art. 4.199-Art. 4.200, lid 1 (nieuw) BW) illustreert dat de algemene legataris die tot de erfenis komt samen met een erfgenaam aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, is gehouden tot betaling van de schulden en lasten der nalatenschap van de erflater, zonder melding te maken van de legaten .
Artikel 1012 oud BW (Art. 4.199 (nieuw) BW) bepaalt overigens dat de legataris onder algemene titel, evenals de algemene legataris, persoonlijk voor zijn aandeel en hypothecair voor het geheel, gehouden is tot betaling van de schulden en lasten der nalatenschap van de erflater .
(Bijzondere) legaten worden hier niet vermeld, in tegenstelling tot artikel 1013 oud BW (Art. 4.200, lid 2 (nieuw) BW) , dat bepaalt dat, wanneer de erflater slechts over een gedeelte van het beschikbaar gedeelte heeft beschikt, en zulks onder algemene titel, de legataris met de natuurlijke erfgenamen gehouden tot het uitkeren van de bijzondere legaten, naar evenredigheid van zijn aandeel .
Ten slotte kan verwezen naar artikel 1017 oud BW (Art. 4.203 (nieuw) BW) , dat bepaalt dat de erfgenamen van de erflater of andere schuldenaars van een legaat, persoonlijk gehouden zijn tot het uitkeren daarvan, ieder naar evenredigheid van het aandeel dat hij uit de nalatenschap geniet.
Waar schulden gemaakt door de DC (bij uitbreiding: lasten die op zijn nalatenschap wegen inzake begrafenis, vereffening van deze nalatenschap, e.d.) wegen op zijn vermogen (en dus op zijn nalatenschap) is dit niet het geval met legaten .Er is ook geen sprake van een last, d.w.z. een verplichting die door de testator in het testament kan worden opgelegd aan de erfgenamen (waarbij de begunstigde van de last dan een vordering heeft op deze erfgenamen i.p.v. een eigendomsrechtelijke aanspraak), maar van een legaat, d.w.z. een beschikking die rechtstreeks uit het vermogen van de DC moet worden geput .