Artikel 780, eerste lid, 3
o, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken.
Geweld is derhalve geen substantieel bestanddeel van het misdrijf.
Volgens artikel 375, tweede lid, Strafwetboek 1867 (oude bepaling), zoals gewijzigd door artikel 10 van de wet van 1 februari 2016 tot wijziging van diverse bepalingen wat de aanranding van de eerbaarheid en het voyeurisme betreft, is er geen toestemming indien de daad is opgedrongen door middel van geweld, dwang, bedreiging, verrassing of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer.
Volgens artikel 373, eerste lid, Strafwetboek 1867 , zoals gewijzigd door artikel 9 van de voormelde wet van 1 februari 2016, is strafbaar met de in die bepaling vermelde straffen de aanranding van de eerbaarheid gepleegd met geweld, dwang, bedreiging, verrassing of list of die mogelijk werd gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of geestelijk gebrek van het slachtoffer.
Uit die bepalingen volgt dat een schuldigverklaring aan verkrachting als bedoeld door artikel 375 1867 oude bepaling),, eerste, tweede en vierde lid, Strafwetboek of aan aanranding van de eerbaarheid als bedoeld door artikel 373, eerste lid, Strafwetboek 1867 (oude bepaling), niet noodzakelijk geweld of bedreiging vereist, maar ook mogelijk is bij dwang, verrassing, list of in geval van een onvolwaardigheid of een lichamelijk of geestelijk gebrek van het slachtoffer.
Voor de nieuwe strafrechtelijke bepalingen zie artikel 417/8 en volgende strafwetboek 1867
Art. 417/8. [1 Voyeurisme
Voyeurisme is het observeren of doen observeren van een persoon of van deze persoon een beeld- of geluidsopname maken of doen maken,
- rechtstreeks of door middel van een technisch of ander hulpmiddel;
- zonder de toestemming van die persoon of buiten zijn medeweten;
- terwijl die persoon ontbloot is of een expliciete seksuele daad stelt; en
- terwijl die persoon zich in omstandigheden bevindt, waarin hij redelijkerwijs mag verwachten beschut te zijn voor ongewenste blikken.
Onder ontblote persoon wordt begrepen de persoon die zonder toestemming of buiten zijn medeweten een deel van zijn lichaam toont dat op grond van zijn seksuele integriteit verhuld zou zijn gebleven indien die persoon had geweten dat hij werd geobserveerd of dat er een beeld- of geluidsopname van hem werd gemaakt.
Dit misdrijf wordt bestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar.
Voyeurisme bestaat, zodra er begin van uitvoering is.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2022-03-21/01, art. 9, 148; Inwerkingtreding : 01-06-2022>
Art. 135. Sw 2024 Voyeurisme (in werking 8 april 2026) stelt:
“Voyeurisme is het opzettelijk observeren of doen observeren van een persoon of opzettelijk van deze persoon een beeld- of geluidsopname maken of doen maken,
- rechtstreeks of door middel van een technisch of ander hulpmiddel;
- zonder de toestemming van die persoon of buiten zijn medeweten;
- terwijl die persoon ontbloot is of een expliciete seksuele daad stelt, en;
- terwijl die persoon zich in omstandigheden bevindt, waarin hij redelijkerwijs mag verwachten beschut te zijn voor ongewenste blikken.
Onder ontblote persoon wordt begrepen de persoon die zonder toestemming of buiten zijn medeweten een deel van zijn lichaam toont dat op grond van zijn seksuele integriteit verhuld zou zijn gebleven indien die persoon had geweten dat hij werd geobserveerd of dat er een beeld- of geluidsopname van hem werd gemaakt.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Voyeurisme bestaat, zodra er begin van uitvoering is.”
Commentaar
Het Sw. 2024 heeft niets aan het toepassingsgebied van voyeurisme gewijzigd, zoals dit misdrijf recent werd opgenomen in het Strafwetboek 1867t.
De woorden “of doen observeren” en “of doen maken” werden weggelaten, gelet op de nieuwe definitie van daderschap en deelneming die dit overkoepelt. Het samenzijn in de badkamer in een gezinscontext is geen hypothese die met de strafbaarstelling van voyeurisme wordt geviseerd.
De omschrijving dat het slachtoffer ontbloot moet zijn (of een expliciete seksuele daad stelt) betekent nu dat de persoon op grond van de huidige maatschappelijke normen en het collectieve bewustzijn van de eerbaarheid bedekt zou zijn gebleven indien de persoon had geweten dat hij werd geobserveerd of gefilmd.
De situatie van het samenzijn in de badkamer kan daar bezwaarlijk onder vallen. In de wijziging doorgevoerd in het Sw. 2024 wordt niet meer als norm het collectieve bewustzijn gehanteerd. Dit neemt niet weg dat er steeds in redelijkheid moet worden geoordeeld. Ook dan zal de badkamercasus niet onder de strafbaarstelling kunnen vallen. Bovendien staat ook in de bepaling inzake voyeurisme dat het slachtoffer zich in omstandigheden bevindt waarin het in redelijkheid kan verwachten dat zijn persoonlijke levenssfeer niet zal worden geschonden.