Krachtens artikel 331septies, eerste lid, oud Burgerlijk Wetboek beslecht de familierechtbank de geschillen betreffende de afstamming waarvoor de wet geen regeling getroffen heeft, door de meest waarschijnlijke afstamming met alle rechtsmiddelen vast te stellen. Het tweede lid vervolgt dat, indien de andere bewijsmiddelen onvoldoende zijn, het bezit van staat in aanmerking wordt genomen.
Krachtens artikel 331octies oud Burgerlijk Wetboek kan de familierechter, zelfs ambtshalve, een bloedonderzoek of enig ander onderzoek volgens beproefde wetenschappelijke methodes gelasten.
Krachtens artikel 8.4, derde lid, Burgerlijk Wetboek zijn alle partijen gehouden om mee te werken aan de bewijsvoering.
Krachtens artikel 972bis, § 1, Gerechtelijk Wetboek zijn de partijen verplicht mee te werken aan het deskundigenonderzoek en kan de rechter, bij gebrek aan medewerking, daaruit de conclusies trekken die hij geraden acht.
Krachtens artikel 8.1, 9°, Burgerlijk Wetboek wordt onder feitelijk vermoeden verstaan een bewijsmiddel waarbij de rechter het bestaan van één of meer onbekende feiten afleidt uit het voorhanden zijn van één of meer bekende feiten.
Krachtens artikel 8.29, tweede lid, Burgerlijk Wetboek wordt de bewijswaarde van feitelijke vermoedens overgelaten aan het oordeel van de rechter, die ze enkel zal aannemen indien zij op één of meer ernstige en precieze aanwijzingen berusten. Voor zover het vermoeden op meerdere aanwijzingen steunt, moeten ze met elkaar overeenstemmend zijn.
De rechter stelt op onaantastbare wijze het bestaan vast van de feiten waarop hij steunt. De gevolgtrekkingen die hij daaruit als vermoeden afleidt, worden aan zijn oordeel overgelaten. Niettemin mag de rechter het rechtsbegrip feitelijk vermoeden niet miskennen en mag hij aan de door hem vastgestelde feiten geen gevolg verbinden dat daarmee geen verband houdt of op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden is.
Een afstammingsgeding is een voorbehouden geding waarbij enkel de in de artikelen 332bis en 332ter oud Burgerlijk Wetboek bedoelde partijen in het geding kunnen en moeten worden betrokken.
In geval van overlijden van een overeenkomstig voormelde artikelen te betrekken partij, geldt artikel 332quater oud Burgerlijk Wetboek. Zo dient een vordering tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in de zin van artikel 322 oud Burgerlijk Wetboek, in geval van overlijden van de beweerde vader, te worden gericht tegen diens erfgenamen.
Het algemeen rechtsbeginsel dat strekt tot eerbiediging van de lichamelijke integriteit van een persoon en bijgevolg fysieke dwanguitvoering tegen een persoon verbiedt is niet onbeperkt en moet worden uitgelegd in het licht van andere fundamentele rechten van personen.
Niettegenstaande in een afstammingsgeding fysieke dwanguitvoering tegen een partij bij een gerechtelijk deskundigenonderzoek is verboden, geldt het fundamentele recht van een kind om zijn identiteit te kennen, zo ook zijn afstammingsbanden.
Het recht op fysieke integriteit van de weigerende partij moet bijgevolg worden afgewogen tegen het prioritaire persoonlijkheidsrecht van het kind om zijn afstammingsbanden te kennen.
Bij deze afweging kan de rechter oordelen dat bij een genetisch onderzoek, inzonderheid een DNA-onderzoek, de aantasting van de fysieke integriteit miniem is, aangezien het afstaan van beperkt lichaamsmateriaal kan volstaan voor een onderzoek waarvan het resultaat de afstammingsvraag met wetenschappelijke zekerheid kan beantwoorden.
Uit het voorgaande volgt dat de familierechter in een afstammingsgeding uit het verzet van een partij tegen een gerechtelijk deskundigenonderzoek dan wel de weigering van een partij om loyale medewerking te verlenen aan een genetisch onderzoek tot oplossing van de afstammingsvraag, een feitelijk vermoeden omtrent de betwiste afstammingsband kan afleiden.