Overeenkomstig artikel 747, § 4, Gerechtelijk Wetboek worden de conclusies die ter griffie zijn neergelegd of aan de andere partij zijn gezonden na het verstrijken van conclusietermijnen ambtshalve uit de debatten geweerd.
De wering van conclusies is een autonome sanctie, voor de toepassing waarvan geen belangenschade moet worden bewezen
Uit de tekst van artikel 747, § 4, Gerechtelijk Wetboek blijkt dat de piste voor wering van conclusies openligt van zodra een conclusie niet op de vervaldag van de conclusietermijn is toegezonden aan de tegenpartij. Of de conclusie op die vervaldag al dan niet blijkt te zijn neergelegd ter griffie, is irrelevant.
Maar wanneer aldus een eerste conclusietermijn verstrijkt kan er nog geconcludeerd in de tweede conclusitermijn en middelen die dan worden opgeworpen in deze “tweede” ronde, zijn middelen die de partij dan voor het eerst en dus nog steeds in limine litis opwerpt.
De autonome sanctie van de wering van conclusies impliceert namelijk dat de rechter op geen enkele manier rekening mag houden met de geweerde conclusie, die geen enkel gevolg mag sorteren .
De situatie waarbij een conclusie ingevolge laattijdige verzending aan de tegenpartij ex artikel 747, § 4, Gerechtelijk Wetboek wordt geweerd is in dat opzicht dan ook gelijk te stellen met de situatie waarin de «nalatige concluant» een conclusietermijn helemaal niet zou hebben benut. Niets verzet er zich in beide gevallen tegen dat de nalatige concluant naderhand alsnog gebruik maakt van een daaropvolgende aan hem toegekende conclusietermijn.
De alsdan tijdig genomen conclusie zal in beginsel niet geweerd kunnen worden, behoudens voor zover het conclusiegedrag van de initieel nalatige concluant zou neerkomen op deloyaal procesgedrag, dan wem de rechten van verdediging van de tegenpartij daardoor zouden worden gefnuikt.
Wanneer deze naderhand genomen conclusie na de geweerde conclusie het eerste procedurestuk is van de nalatige concluant, dient ze te worden beschouwd als het eerste procedurestuk van deze partij ter beoordeling van de vraag of de exceptie van arbitrage in limine litis werd opgeworpen (vgl. Cass. 24 september 2020, C.20.0175.F). Er anders over oordelen zou er immers toe leiden dat een partij die in een geweerde conclusie in limine litis een exceptie opwierp, deze exceptie naderhand nooit meer op toelaatbare wijze kan opwerpen, precies omwille van de wering. Daarmee zou derhalve tóch een gevolg worden gegeven aan de geweerde conclusie, met name de ontoelaatbaarheid van de betreffende, daaropvolgend opnieuw opgeworpen exceptie. Zulks zou strijdig zijn met de autonome sanctie van de wering uit de debatten die, zoals gezegd, impliceert dat geen énkel gevolg toekomt aan de geweerde conclusie