HOOFDSTUK I TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES
Artikel 1
Toepassingsgebied
1. Deze verordening is van toepassing op de erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen. Zij is niet van toepassing op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrech¬telijke zaken.
2. Deze verordening is niet van toepassing op:
a) de staat van natuurlijke personen, familierechtelijke betrek¬kingen en betrekkingen die overeenkomstig het op die be¬trekkingen toepasselijke recht geacht worden vergelijkbare gevolgen te hebben;
b) de bekwaamheid van natuurlijke personen, onverminderd artikel 23, lid 2, onder c), en artikel 26;
c) kwesties die verband houden met verdwijning, vermissing of vermoedelijk overlijden van een natuurlijke persoon;
d) kwesties die verband houden met huwelijksvermogensrecht en met vermogensrechtelijke regelingen voor betrekkingen die overeenkomstig het op die betrekkingen toepasselijke recht geacht worden vergelijkbare gevolgen te hebben;
e) andere onderhoudsverplichtingen dan die welke ontstaan als gevolg van overlijden;
f) de formele geldigheid van mondelinge uiterste wilsbeschik¬kingen;
g) rechten en goederen die ontstaan, overgaan of worden over¬gedragen op andere wijze dan door erfopvolging, bijvoor¬beeld door middel van schenkingen, gemeenschappelijk ei¬gendom dat overgaat op de langstlevende, pensioenregelin¬gen, verzekeringsovereenkomsten en regelingen van soortge¬lijke aard, onverminderd artikel 23, lid 2, onder i);
h) kwesties die worden geregeld door het recht dat van toepas¬sing is op vennootschappen en andere entiteiten, met of zonder rechtspersoonlijkheid, zoals statutaire bepalingen of clausules in de oprichtingsakte van vennootschappen of an¬dere entiteiten, met of zonder rechtspersoonlijkheid, die be¬palen wat er met de aandelen gebeurt bij overlijden van de leden;
i) de ontbinding, de opheffing en de fusie van vennootschap¬pen en andere entiteiten, met of zonder rechtspersoonlijk¬heid;
j) de oprichting, het beheer en de ontbinding van trusts;
k) de aard van zakelijke rechten, en
1) de inschrijving van rechten op onroerende en roerende za¬ken in een register, met inbegrip van de wettelijke voor-schriften voor een dergelijke inschrijving en de rechtsgevol¬gen van de inschrijving van dergelijke rechten of van het achterwege blijven daarvan.
Artikel 2
Bevoegdheid op het gebied van erfopvolging in de lidstaten Deze verordening laat de bevoegdheid van de autoriteiten van de lidstaten inzake kwesties van erfopvolging onverlet.
Artikel 3 Definities
1. In deze verordening wordt verstaan onder:
a) ,,erfopvolging": de erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon, waaronder wordt begrepen elke vorm van overgang of overdracht van goederen, rechten en ver¬plichtingen naar aanleiding van een overlijden, ongeacht of het gaat om een vrijwillige overgang of overdracht krachtens een uiterste wilsbeschikking, dan wel om een overgang mid¬dels erfopvolging bij versterf;
b) .erfovereenkomst": een overeenkomst, met inbegrip van een uit wederkerige testamentaire beschikkingen voortvloeiende overeenkomst, die, met of zonder tegenprestatie, rechten op de toekomstige nalatenschap of nalatenschappen van een of meer partijen bij de overeenkomst in het leven roept, wijzigt of doet vervallen;
c) ,,gemeenschappelijk testament": een door twee of meer per¬sonen in een akte opgesteld testament;
d) ,,uiterste wilsbeschikking": een testament, een gemeenschap¬pelijk testament of een erfovereenkomst;
e) ,,lidstaat van herkomst": de lidstaat waar de beslissing is gegeven, de gerechtelijke schikking is goedgekeurd of
getroffen, de authentieke akte is verleden of de Europese erfrechtverklaring is afgegeven;
f) "lidstaat van tenuitvoerlegging": de lidstaat waar om de ver¬klaring van uitvoerbaarheid of de tenuitvoerlegging van de beslissing, de gerechtelijke schikking of de authentieke akte wordt verzocht;
g) .beslissing": een door een gerecht van een lidstaat inzake erfopvolging gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gege¬ven benaming, alsmede de beslissing betreffende de vaststel¬ling door de griffier van het bedrag van de proceskosten;
h) ,,gerechtelijke schikking": een schikking inzake erfopvolging die door een gerecht is goedgekeurd of tijdens een procedure voor een gerecht is getroffen;
i) ,,authentieke akte": een document inzake erfopvolging dat in een lidstaat formeel als authentieke akte is verleden of ge¬registreerd en waarvan de formele geldigheid:
i) betrekking heeft op de ondertekening en de inhoud van de akte, en
j) is vastgesteld door een overheidsinstantie of door een andere daartoe door de lidstaat van herkomst gemach¬tigde instantie.
2. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder het begrip "gerecht" verstaan: elke gerechtelijke autoriteit en alle andere autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren met be¬voegdheid in een erfrechtzaak, die rechterlijke functies vervullen of handelen krachtens volmacht van, of onder toezicht van, een gerechtelijke autoriteit, voor zover dergelijke autoriteiten en juri¬dische beroepsbeoefenaren waarborgen bieden wat betreft on¬partijdigheid en het horen van partijen, en voor zover hun beslissingen overeenkomstig het recht van de lidstaat waar zij gevestigd zijn:
a) vatbaar zijn voor een rechtsmiddel ten overstaan van een gerechtelijke autoriteit of voor toetsing door een zodanige autoriteit, en
b) dezelfde rechtskracht en dezelfde werking hebben als een beslissing van een gerechtelijke autoriteit over dezelfde aan¬gelegenheid.
De lidstaten stellen de Commissie overeenkomstig artikel 79 in kennis van de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten en juri¬dische beroepsbeoefenaren.
HOOFDSTUK II BEVOEGDHEID
Artikel 4
Algemene bevoegdheid
De gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, zijn bevoegd om uit¬spraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.
Artikel 5
Forumkeuzeovereenkomst
1. Wanneer het door de erflater ten aanzien van de erfopvol¬ging overeenkomstig artikel 22 gekozen recht het recht van een lidstaat is, kunnen de betrokken partijen overeenkomen dat een gerecht of de gerechten van die lidstaat bij uitsluiting bevoegd zijn om uitspraak te doen over elke aangelegenheid die de erf¬opvolging betreft.
2. Een zodanige forumkeuze geschiedt bij een schriftelijke overeenkomst, die door de betrokken partijen wordt gedagte¬kend en ondertekend. Elke elektronische mededeling waardoor de overeenkomst duurzaam wordt vastgelegd, wordt geacht ge¬lijk te zijn aan een schriftelijke overeenkomst.
Artikel 6
Onbevoegdverklaring in geval van een rechtskeuze Wanneer het door de erflater ten aanzien van de erfopvolging overeenkomstig artikel 22 gekozen recht het recht van een lidstaat is, kan het op grond van artikel 4 of artikel 10 aange¬zochte gerecht:
a) op verzoek van een van de partijen in het geding zich onbe¬voegd verklaren indien het van oordeel is dat de gerechten van de lidstaat van het gekozen recht beter in staat zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging, rekening houdend met de praktische omstandigheden van de erfopvolging, zo¬als de gewone verblijfplaats van de partijen en de plaats waar de goederen zich bevinden, of
b) zich onbevoegd verklaren indien de partijen in het geding in overeenstemming met artikel 5 zijn overeengekomen om een gerecht of de gerechten van de lidstaat van het gekozen recht als bevoegd gerecht aan te wijzen.
Artikel 7
Bevoegdheid in geval van een rechtskeuze
De gerechten van een lidstaat waarvan het recht door de erflater overeenkomstig artikel 22 is gekozen, zijn bevoegd om over de erfopvolging uitspraak te doen indien:
a) een eerder aangezocht gerecht zich in dezelfde zaak onbe¬voegd heeft verklaard overeenkomstig artikel 6, of
b) de partijen in het geding zijn overeengekomen om overeen¬komstig artikel 5 bevoegdheid te verlenen aan een gerecht of de gerechten van die lidstaat, of
c) de partijen in het geding de bevoegdheid van het aange¬zochte gerecht uitdrukkelijk hebben aanvaard.
Artikel 8
Ambtshalve beëindigen van de procedure in geval van rechtskeuze
Een gerecht dat ambtshalve de procedure heeft ingeleid op grond van artikel 4 of artikel 10, beëindigt de procedure indien de partijen zijn overeengekomen de erfopvolging buitengerech¬telijk te schikken in de lidstaat waarvan het recht door de erf¬later overeenkomstig artikel 22 is gekozen.
Artikel 9
Bevoegdheid gebaseerd op verschijning
1. Wanneer gedurende de procedure voor een gerecht van een lidstaat, dat overeenkomstig artikel 7 bevoegdheid uitoefent, blijkt dat niet alle partijen in het geding partij zijn bij de fo¬rumkeuzeovereenkomst, blijft het gerecht bevoegd indien de partijen die geen partij bij deze overeenkomst zijn, verschijnen zonder de bevoegdheid van het gerecht te betwisten.
2. Indien de bevoegdheid van het in lid 1 bedoelde gerecht wordt betwist door een partij in de procedure, die geen partij bij de overeenkomst is, verklaart het gerecht zich onbevoegd.
In dat geval zijn de gerechten bevoegd om uitspraak over de erfopvolging te doen, die overeenkomstig artikel 4 of artikel 10 bevoegd zijn.
Artikel 10
Subsidiaire bevoegdheid
1. Indien de erflater op het tijdstip van overlijden zijn ge¬wone verblijfplaats niet in een lidstaat had, zijn de gerechten van een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevin¬den toch bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel voor zover:
a) de erflater op het tijdstip van overlijden de nationaliteit van die lidstaat had; of, als dat niet het geval is,
b) de erflater zijn vorige gewone verblijfplaats in deze lidstaat had, mits er op het tijdstip waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt een termijn van niet meer dan vijf jaar is verstreken sedert deze gewone verblijfplaats is gewijzigd.
2. Indien geen enkel gerecht in een lidstaat op grond van lid 1 bevoegd is, zijn de gerechten van de lidstaat waar zich goe¬deren van de nalatenschap bevinden ter zake van die goederen toch bevoegd.
Artikel 11
Forum necessitatis
Indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van andere bepalingen van deze verordening bevoegd is, kunnen de gerech¬ten van een lidstaat bij wijze van uitzondering uitspraak doen over de erfopvolging indien in een derde staat waarmee de zaak nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt.
De zaak moet voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.
Artikel 12
Beperking van de procedure
1. Indien de nalatenschap goederen omvat, die zich in een derde land bevinden, kan het gerecht dat is aangezocht om te oordelen over de erfopvolging, op verzoek van een van de partijen beslissen geen uitspraak te doen over een of meer van deze goederen indien kan worden verwacht dat zijn beslis¬sing ten aanzien van deze goederen in dat derde land niet zal worden erkend en, in voorkomend geval, niet uitvoerbaar zal worden verklaard.
2. Lid 1 laat onverlet de rechten van de partijen om het toepassingsgebied van de procedure te beperken volgens het recht van de lidstaat van het aangezochte gerecht.
Artikel 13
Aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel
Naast het gerecht dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om uitspraak over de erfopvolging te doen, zijn de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van eenieder die krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht voor een gerecht een verklaring kan afleggen betreffende de aanvaarding of verwerping van een nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel, of een verklaring mag afleggen die als doel heeft zijn aansprakelijkheid te beperken ten aanzien van de schulden van de nalatenschap, bevoegd om dergelijke verklaringen in ont¬vangst te nemen, indien deze verklaringen volgens het recht van die lidstaat in rechte mogen worden afgelegd.
Artikel 14
Aanhangigmaking van een zaak bij een gerecht
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een zaak geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt:
a) op het tijdstip waarop het stuk dat de procedure inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen, of
b) indien het stuk betekend of medegedeeld moet worden voor¬dat het bij het gerecht wordt ingediend, op het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de beteke¬ning of de kennisgeving het stuk ontvangt, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de indiening van het stuk bij het gerecht moest doen, of
c) in gevallen waarin de procedure ambtshalve door het gerecht wordt ingeleid, op het tijdstip waarop de beslissing om de procedure in te leiden door het gerecht wordt genomen, of, ingeval een dergelijke beslissing niet vereist is, op het tijdstip waarop de zaak ter griffie wordt ingeleid.
Artikel 15
Toetsing van de bevoegdheid
Indien bij een gerecht van een lidstaat een erfrechtzaak aan¬hangig is gemaakt, waarvoor het volgens deze verordening niet bevoegd is, verklaart het zich ambtshalve onbevoegd.
Artikel 16
Toetsing van de ontvankelijkheid
1. Indien een verweerder die zijn gewone verblijfplaats in een andere staat heeft dan de lidstaat waar de zaak aanhangig is gemaakt, niet verschijnt, houdt het bevoegde gerecht de pro¬cedure aan zolang niet vaststaat dat de verweerder op tijd ken¬nis heeft kunnen nemen van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk om zijn verweer te kunnen voeren, of dat daartoe al het nodige is gedaan.
2. In plaats van lid 1 van dit artikel is artikel 19 van Ver¬ordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de ken¬nisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (,,de betekening en de kennisgeving van stukken") (1) van toepassing, indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat diende te worden verzonden in over¬eenstemming met die verordening.
3. Indien Verordening (EG) nr. 1393/2007 niet van toepas¬sing is, is artikel 15 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 15 november 196 5 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stuk¬ken in burgerlijke en handelszaken van toepassing, indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk naar het buitenland diende te worden verzonden in overeenstemming met dat verdrag.
Artikel 17
Aanhangigheid
1. Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde on¬derwerp betreffen, houdt het gerecht waarbij de zaak later is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegd¬heid van het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt, vaststaat.
2. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart elk gerecht waarbij de zaak later is aangebracht, zich onbevoegd.
Artikel 18
Samenhang
1. Wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, kan elk gerecht an¬ders dan het eerst aangezochte gerecht, zijn uitspraak aanhou¬den.
2. Indien deze vorderingen in eerste aanleg aanhangig zijn, kan elk gerecht anders dan het eerst aangezochte gerecht op verzoek van een van de partijen, zich niet-ontvankelijk verkla¬ren, indien het eerste aangezochte gerecht bevoegd is van de betreffende vorderingen kennis te nemen en zijn recht de voe¬ging van beide vorderingen toestaat.
3. Voor de toepassing van dit artikel, worden vorderingen als samenhangend beschouwd als zij zo nauw verbonden zijn dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en beslechting om te vermijden dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare beslissingen zouden kunnen worden gegeven.
Artikel 19
Voorlopige of bewarende maatregelen
In de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen kunnen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen.
HOOFDSTUK III TOEPASSELIJK RECHT Artikel 20 Universele toepassing
Elk recht dat bij deze verordening is aangewezen, wordt toege¬past, ongeacht of dit het recht van een lidstaat is of niet.
Artikel 21
Algemene regel
1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is op de erfopvolging in haar geheel het recht van de staat van toepas¬sing, waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had.
2. Als, bij wijze van uitzondering, uit alle omstandigheden van het geval blijkt dat de erflater op het tijdstip van overlijden een kennelijk nauwere band had met een andere staat dan de staat van welke het recht op grond van lid 1 van toepassing zou zijn, is het recht van die andere staat op de erfopvolging van toepassing.
Artikel 22
Rechtskeuze
1. Een persoon kan als het recht dat zijn erfopvolging in het geheel beheerst, het recht van de staat kiezen, waarvan hij op het tijdstip van de rechtskeuze of op het tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit.
Een persoon die meer dan een nationaliteit bezit, kan het recht kiezen van een van de staten waarvan hij op het tijdstip van de rechtskeuze de nationaliteit bezit.
2. De rechtskeuze wordt uitdrukkelijk gedaan in een verkla¬ring in de vorm van een uiterste wilsbeschikking of blijkt dui¬delijk uit de bewoordingen van die beschikking.
3. De materiële geldigheid van de handeling waarbij de rechtskeuze wordt gemaakt, wordt bepaald door het gekozen recht.
4. Elke wijziging of herroeping van de rechtskeuze moet vol¬doen aan de vormvoorschriften voor de wijziging of de intrek¬king van een uiterste wilsbeschikking.
Artikel 23 Toepassingsgebied van het toepasselijke recht
1. Het krachtens artikel 21 of artikel 22 aangewezen recht beheerst de vererving van de gehele nalatenschap.
Dit recht regelt in het bijzonder:
a) de gronden voor, het tijdstip en de plaats van het openvallen van de nalatenschap;
b) de aanwijzing van de rechthebbenden, de bepaling van hun onderscheiden erfdelen en van de verplichtingen die hun door de erflater opgelegd kunnen zijn, alsook de bepaling van andere rechten op de nalatenschap, daaronder begrepen de erfrechten van de langstlevende echtgenoot of partner;
c) de bekwaamheid om te erven;
d) de onterving en de uitsluiting wegens onwaardigheid;
e) de overgang op en de overdracht aan de erfgenamen en, naar gelang van het geval, de legatarissen van de goederen, rech¬ten en verplichtingen die de nalatenschap vormen, met in¬begrip van de voorwaarden en de gevolgen van de aanvaar¬ding of verwerping van de nalatenschap of van een legaat;
f) de bevoegdheden van de erfgenamen, van de executeurs-tes¬tamentair en van andere beheerders van de nalatenschap, in het bijzonder wat betreft de verkoop van eigendom en het voldoen van schuldeisers, onverminderd de bevoegdheden bedoeld in artikel 2 9, lid 2 en lid 3;
g) de aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap;
h) het beschikbare deel van de nalatenschap, de wettelijke erf¬delen en andere beperkingen van de bevoegdheid om bij uiterste wil te beschikken, alsmede de mogelijke vorderingen van personen die de erflater na stonden op de nalatenschap of op de erfgenamen;
i) de verplichting tot inbreng en inkorting van schenkingen, voorschotten of legaten bij het vaststellen van de erfdelen van de verschillende rechthebbenden, en
j) de verdeling van de nalatenschap.
Artikel 24
Uiterste wilsbeschikkingen, niet zijnde erfovereenkomsten 1. De toelaatbaarheid en de materiële geldigheid van een uiterste wilsbeschikking, niet zijnde een erfovereenkomst, wordt beheerst door het recht dat op grond van deze verordening op de erfopvolging van toepassing zou zijn geweest, indien de erf¬later zou zijn overleden op de dag waarop de wilsbeschikking is gemaakt.
2. Niettegenstaande lid 1 kan een persoon ervoor kiezen dat zijn uiterste wilsbeschikking, ten aanzien van de toelaatbaarheid en de materiële geldigheid, wordt beheerst door het recht dat hij op grond van artikel 22 en onder de daarin bepaalde voor¬waarden had kunnen kiezen.
3. Lid 1 is in voorkomend geval van toepassing op de wij¬ziging of herroeping van een uiterste wilsbeschikking, niet zijnde een erfovereenkomst. In geval van een rechtskeuze over¬eenkomstig lid 2 wordt de wijziging of herroeping beheerst door het gekozen recht.
Artikel 25
Erfovereenkomsten
1. Wanneer een erfovereenkomst betrekking heeft op de erf¬opvolging van één persoon, worden de toelaatbaarheid, de ma¬teriële geldigheid, en de rechtsgevolgen tussen de partijen, daar¬onder begrepen de voorwaarden voor ontbinding, bepaald door het recht dat ingevolge deze verordening van toepassing zou zijn geweest op de erfopvolging van deze persoon, mocht hij zijn overleden op de dag waarop de overeenkomst is gesloten.
2. Een erfovereenkomst met betrekking tot de erfopvolging van meerdere personen is slechts toelaatbaar indien zij toelaat¬baar is onder alle rechtsstelsels die krachtens deze verordening op de erfopvolging van al deze personen van toepassing zouden zijn geweest, mochten zij zijn overleden op de dag waarop de overeenkomst is gesloten.
De materiële geldigheid en de rechtsgevolgen tussen partijen, met inbegrip van de voorwaarden voor ontbinding, van een erfovereenkomst die ingevolge de eerste alinea toelaatbaar is, worden bepaald door het recht, van die rechtstelsels als bedoeld in de eerste alinea, waarmee zij het nauwst verbonden is.
3. Niettegenstaande de leden 1 en 2 kunnen de partijen er¬voor kiezen dat hun erfovereenkomst, wat betreft de toelaat¬baarheid, de materiële geldigheid, en de rechtsgevolgen tussen de partijen, met inbegrip van voorwaarden voor ontbinding, wordt beheerst door het recht dat de persoon of een van de personen van wie de erfopvolging in het geding is op grond van artikel 22 en onder de daarin bepaalde voorwaarden had kun¬nen kiezen.
Artikel 26
Materiële geldigheid van uiterste wilsbeschikkingen
1. Voor de toepassing van de artikelen 24 en 25 wordt de materiële geldigheid bepaald door het volgende:
a) de handelingsbekwaamheid met betrekking tot de uiterste wilsbeschikking;
b) de specifieke beletselen om bij uiterste wil ten gunste van bepaalde personen te beschikken, of om goederen uit de nalatenschap te ontvangen van degene die bij uiterste wil beschikt;
c) de toelaatbaarheid om middels een vertegenwoordiger bij uiterste wil te beschikken;
d) de uitleg van de uiterste wilsbeschikking;
e) bedrog, dwang, dwaling en andere omstandigheden met be¬trekking tot het ontbreken van of op gebrekkige wijze tot stand komen van de wil en wens van de erflater.
2. Indien een persoon volgens het krachtens artikel 24 of artikel 2 5 toepasselijke recht bevoegd is om bij uiterste wil te beschikken, is een wijziging van dat recht niet van invloed op zijn bevoegdheid om die uiterste wil te wijzigen of te herroepen.
Artikel 27
Formele geldigheid van schriftelijke uiterste wilsbeschikkingen
1. Een schriftelijke uiterste wilsbeschikking is naar vorm geldig, indien zij voldoet aan het recht:
a) van de staat waar bij uiterste wil is beschikt of de erfover¬eenkomst is gesloten, of
b) van de staat waarvan de erflater of ten minste een van de personen wiens erfopvolging het voorwerp uitmaakt van een erfovereenkomst de nationaliteit bezat, hetzij op het tijdstip waarop bij uiterste wil is beschikt of de overeenkomst is gesloten, hetzij op het tijdstip van overlijden, of
c) van de staat waar de erflater of ten minste een van de personen wier erfopvolging het voorwerp uitmaakt van een erfovereenkomst zijn woonplaats had, hetzij op het tijdstip waarop bij uiterste wil is beschikt of de overeenkomst is gesloten, hetzij op het tijdstip van overlijden, of
d) van de staat waar de erflater of ten minste een van de personen wier erfopvolging het voorwerp uitmaakt van een erfovereenkomst zijn gewone verblijfplaats had, hetzij op het tijdstip waarop bij uiterste wil is beschikt of de overeen¬komst is gesloten, hetzij op het tijdstip van overlijden, of
e) in het geval van onroerende goederen, van de staat waar deze gelegen zijn.
Of de erflater of één van de personen wier erfopvolging het voorwerp uitmaakt van de erfovereenkomst, hun woonplaats in een bepaalde staat hebben, wordt bepaald door het recht van die staat.
2. Lid 1 is tevens van toepassing op uiterste wilsbeschikkin¬gen waarbij een eerdere wilsbeschikking wordt gewijzigd of her¬roepen. De wijziging of herroeping is eveneens formeel geldig, indien zij voldoet aan het recht van een van de staten waar de gewijzigde of herroepen uiterste wilsbeschikking op grond van lid 1 geldig was.
3. Voor de toepassing van dit artikel worden wettelijke be¬palingen waarbij de toegestane vormen van uiterste wilsbeschik¬king worden beperkt naar leeftijd, nationaliteit of andere per¬soonlijke omstandigheden van de erflater of van de personen wiens erfopvolging het voorwerp uitmaakt van een erfovereen¬komst, als vormvoorschriften beschouwd. Hetzelfde geldt voor de voorwaarden waaraan getuigen met het oog op de geldigheid van een uiterste wilsbeschikking moeten voldoen.
Artikel 28
Formele geldigheid van de verklaring van aanvaarding of verwerping
Een verklaring houdende aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, van een legaat, of van een wettelijk erfdeel, of een verklaring tot beperking van de eigen aansprakelijkheid, is naar vorm geldig indien zij voldoet aan de voorschriften van:
a) het overeenkomstig artikel 21 of artikel 2 2 op de erfopvol¬ging toepasselijke recht, of
b) het recht van de staat waar degene die de verklaring aflegt zijn gewone verblijfplaats heeft.
Artikel 29
Bijzondere regels voor de benoeming van een beheerder van de nalatenschap en diens bevoegdheden in bepaalde situaties
1. Wanneer de benoeming van een beheerder volgens het recht van de lidstaat waarvan de gerechten krachtens deze ver¬ordening voor de erfopvolging bevoegd zijn, verplicht is of op verzoek verplicht is, en het op de erfopvolging toepasselijke recht het recht van een andere staat is, kunnen de gerechten van die lidstaat, wanneer een zaak daar wordt aangebracht, een of meer beheerders volgens hun eigen recht benoemen met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
De overeenkomstig dit lid benoemde beheerders zijn degenen die volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht bevoegd zouden zijn om het testament uit te voeren en/of de nalaten¬schap te beheren. Wanneer dat recht niet toestaat dat de nala¬tenschap wordt beheerd door iemand die geen rechthebbende is, kunnen de gerechten van de lidstaat waar een beheerder moet worden benoemd een derde-beheerder overeenkomstig hun ei¬gen wetgeving benoemen, indien die wetgeving zulks verlangt en er sprake is van een ernstig belangenconflict tussen de recht-hebbenden of tussen de rechthebbenden en de schuldeisers of personen die borg stonden voor de schulden van de erflater, van onenigheid tussen de rechthebbenden over het beheer van de nalatenschap of van een nalatenschap waarvan het beheer com¬plex is wegens de aard van de goederen.
De overeenkomstig dit lid benoemde beheerders zijn de enigen die gerechtigd zijn de in de leden 2 en 3 bedoelde bevoegdhe¬den uit te oefenen.
2. De overeenkomstig lid 1 benoemde beheerders oefenen de bevoegdheden uit die krachtens het op de erfopvolging toepas¬selijke recht voor het beheer van de nalatenschap mogen wor¬den uitgeoefend. Het aangezochte gerecht kan in zijn beslissing specifieke voorwaarden stellen aan de uitoefening van die be¬voegdheden overeenkomstig het op de erfopvolging toepasse¬lijke recht.
Wanneer het op de erfopvolging toepasselijke recht niet in vol¬doende beheersbevoegdheden voorziet voor de bescherming van de goederen van de nalatenschap of van de rechten van de schuldeisers of andere personen die borg stonden voor de schul¬den van de erflater, kan het aangezochte gerecht beslissen dat de beheerders op residuaire basis de bevoegdheden uitoefenen waarin het nationale recht te dien einde voorziet en kan het in zijn beslissing specifieke voorwaarden stellen aan uitoefening van die bevoegdheden overeenkomstig dat recht.
Bij de uitoefening van dergelijke restbevoegdheden dienen de beheerders echter het op de erfopvolging toepasselijke recht in acht te nemen voor wat betreft de overdracht van de eigendom van goederen, de aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap, de rechten van de rechthebbenden, waaronder, indien van toepassing, het recht om de erfenis te aanvaarden of verwerpen, en, indien van toepassing, de bevoegdheden van de executeur-testamentair.
3. Onverminderd het bepaalde in lid 2 kan het gerecht dat overeenkomstig lid 1 een of meer beheerders benoemt, bij wijze van uitzondering, indien het op de erfopvolging toepasselijke recht het recht van een derde staat is, beslissen dat de beheer¬ders over alle beheersbevoegdheden beschikken waarin het recht van de lidstaat waar zij benoemd worden voorziet.
Bij de uitoefening van dergelijke restbevoegdheden dienen de beheerders met name de aanwijzing van de rechthebbenden en hun rechten op de nalatenschap, waaronder hun rechten op een wettelijk erfdeel of vorderingen op de nalatenschap of de erfgenamen krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht, in acht te nemen.
Artikel 30
Bijzondere regels die beperkingen opleggen met betrekking tot, of van invloed zijn op de erfopvolging voor wat betreft bepaalde bestanddelen van de nalatenschap
Indien het recht van de staat waar bepaalde onroerende goede¬ren, ondernemingen of andere bijzondere categorieën goederen zich bevinden, bijzondere regels bevat waarbij uit economische, familiale of sociale overwegingen beperkingen worden opgelegd die de erfopvolging van die bestanddelen van de nalatenschap betreffen of raken, zijn die bijzondere regels op de erfopvolging van toepassing voor zover zij volgens het recht van die staat, ongeacht het op de erfopvolging toepasselijke recht, van toepas¬sing zijn.
Artikel 31
Aanpassing van zakelijke rechten
Indien een persoon zich op een zakelijk recht beroept, waartoe hij onder het op de erfopvolging toepasselijke recht gerechtigd is, en het recht van de lidstaat waar het recht wordt ingeroepen, het betreffende zakelijk recht niet kent, wordt dit zakelijk recht, indien noodzakelijk en voor zover mogelijk, in overeenstem¬ming gebracht met het meest gelijkwaardige zakelijk recht in die lidstaat, waarbij rekening wordt gehouden met de door dat specifieke zakelijk recht nagestreefde doelstellingen en belangen en de daaraan verbonden rechtsgevolgen.
Artikel 32
Commoriënten
Wanneer twee of meer personen wier erfopvolging door ver¬schillende rechtsstelsels wordt beheerst, overlijden onder om¬standigheden waarin onzeker is in welke volgorde zij zijn over¬leden, en deze situatie in die rechtsstelsels op uiteenlopende wijze is geregeld of in het geheel niet is geregeld, kan geen van de overledenen rechten op de nalatenschap van de andere of de anderen laten gelden.
Artikel 33
Onbeheerde nalatenschap
Voor zover er volgens het op grond van deze verordening op de erfopvolging toepasselijke recht geen erfgenaam of legataris is voor enige goederen uit de nalatenschap uit hoofde van een uiterste wilsbeschikking, noch een natuurlijke persoon uit hoofde van de wet erfgenaam is, belet de toepassing van het aldus aangewezen recht niet dat een lidstaat, of een daartoe door die lidstaat aangewezen entiteit, zich op grond van zijn nationale recht de goederen van de nalatenschap die zich op zijn grondgebied bevinden toe-eigent, op voorwaarde dat de schuldeisers van de nalatenschap gerechtigd zijn om hun vor¬deringen op de goederen van de nalatenschap te verhalen.
Artikel 34
Terugverwijzing
1. In de gevallen waarin deze verordening de toepassing van het recht van een derde staat voorschrijft, wordt hieronder ver¬staan de in die staat geldende rechtsregels, daaronder begrepen de regels van het internationaal privaatrecht die voorzien in terugverwijzing naar:
a) het recht van een lidstaat, of
b) het recht van een andere derde staat die zijn eigen recht zou toepassen.
2. Terugverwijzing is uitgesloten in de gevallen bedoeld in artikel 21, lid 2, artikel 22, artikel 27, artikel 28, onder b), en artikel 30.
Artikel 35
Openbare orde (ordre public)
De toepassing van een bepaling van ongeacht welk bij deze verordening aangewezen recht kan slechts terzijde worden ge¬steld indien zulks kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde (ordre public) van het land van het forum.
Artikel 36
Staten met meer dan één rechtsstelsel - territoriale wetsconflicten
1. Indien het bij deze verordening aangewezen recht het recht is van een staat met meerdere territoriale eenheden, die elk hun eigen rechtsregels met betrekking tot de erfopvolging hebben, bepalen de interne collisieregels van die lidstaat van welke territoriale eenheid de rechtsregels van toepassing zijn.
2. Bij gebreke van zulke interne collisieregels:
a) wordt een verwijzing naar het recht van de in lid 1 bedoelde staat, voor het bepalen van het toepasselijke recht volgens de bepalingen waarbij naar de gewone verblijfplaats van de erf¬later wordt verwezen, uitgelegd als een verwijzing naar het recht van de territoriale eenheid waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had;
b) wordt een verwijzing naar het recht van de in lid 1 bedoelde staat, voor het bepalen van het toepasselijke recht volgens de bepalingen waarbij naar de nationaliteit van de erflater wordt verwezen, uitgelegd als een verwijzing naar het recht van de territoriale eenheid waarmee de erflater het nauwst verbon¬den was;
c) wordt een verwijzing naar het recht van de in lid 1 bedoelde staat, voor het bepalen van het toepasselijke recht volgens andere bepalingen met andere aanknopingspunten, uitgelegd als een verwijzing naar het recht van de territoriale eenheid waar het aanknopingspunt zich bevindt.
3. Niettegenstaande lid 2, wordt een verw11zmg naar het recht van de in lid 1 bedoelde staat, voor het bepalen van het krachtens artikel 2 7 toepasselijke recht, bij gebreke van interne collisieregels in die staat, uitgelegd als een verwijzing naar het recht van de territoriale entiteit waarmee de erflater of de per¬sonen wier erfopvolging het voorwerp uitmaakt van de erfover¬eenkomst het nauwst verbonden waren.
Artikel 37
Staten met meer dan één rechtsstelsel - personele wetsconflicten
Ten aanzien van een staat waar met betrekking tot de erfopvol¬ging twee of meer rechtsstelsels of regelingen gelden die op verschillende categorieën personen van toepassing zijn, wordt elke verwijzing naar het recht van die staat uitgelegd als een verwijzing naar het rechtsstelsel dat of de regeling die is aange¬wezen bij de in die staat geldende regels. Bij gebreke van zulke regels wordt het rechtsstelsel of de regeling toegepast waarmee de erflater het nauwst verbonden was.
Artikel 38
Niet-toepasselijkheid van deze verordening op interne wetsconflicten
Een lidstaat die meerdere territoriale eenheden telt, die elk hun eigen rechtsregels met betrekking tot erfopvolging hebben, is niet verplicht deze verordening toe te passen op wetsconflicten die enkel tussen deze territoriale eenheden rijzen.
HOOFDSTUK IV
ERKENNING, UITVOERBAARHEID EN TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN
Artikel 39
Erkenning
1. Een in een lidstaat gegeven beslissing wordt in de overige lidstaten erkend zonder dat daartoe een procedure vereist is.
2. Indien de erkenning van een beslissing wordt betwist, kan iedere belanghebbende partij die zich ten principale op de er¬kenning beroept, van de in de artikelen 4 5 tot en met 5 8 vastgelegde procedures gebruikmaken om de erkenning te doen vaststellen.
3. Wordt voor een gerecht van een lidstaat de erkenning bij incidenteel verzoek ingeroepen, dan is dit gerecht bevoegd om van dat verzoek kennis te nemen.
Artikel 40 Weigeringsgronden Een beslissing wordt niet erkend indien:
a) de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;
b) het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn ver¬dediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was;
c) zij onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing in een geding;
d) zij onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een geding die hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde grond berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lid¬staat.
Artikel 41
Geen inhoudelijke toetsing
In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juist¬heid van de in een lidstaat gegeven beslissing.
Artikel 42
Aanhouding van de erkenningsprocedure
Het gerecht van een lidstaat waarbij de erkenning wordt ge¬vraagd van een in een andere lidstaat gegeven beslissing, houdt de procedure aan indien in de lidstaat van herkomst tegen deze beslissing een gewoon rechtsmiddel is ingesteld.
Artikel 43 Uitvoerbaarheid
De beslissingen die in een lidstaat zijn gegeven en in die lidstaat uitvoerbaar zijn, zijn tevens uitvoerbaar in andere lidstaten, indien zij daar op verzoek van een belanghebbende partij uit¬voerbaar zijn verklaard in de andere lidstaten volgens de pro¬cedure die is bepaald in de artikelen 45 tot en met 58.
Artikel 44
Vaststelling van woonplaats
Om in het kader van de in de artikelen 4 S tot en met S 8 vastgelegde procedure te bepalen of een partij haar woonplaats heeft in de lidstaat van tenuitvoerlegging, past het aangezochte gerecht het interne recht van die lidstaat toe.
Artikel 45
Relatief bevoegd gerecht
1. Het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid wordt gericht tot het gerecht of de bevoegde autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging, waarvan de naam door deze lidstaat overeenkomstig artikel 7 8 aan de Commissie is medegedeeld.
2. Het relatief bevoegde gerecht is dat van de woonplaats van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, of van de plaats van tenuitvoerlegging.
Artikel 46 Procedure
1. De procedure voor indiening van het verzoek wordt behheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging.
2. Van de verzoeker wordt niet verwacht dat hij in de lidstaat van tenuitvoerlegging een postadres of procesgemachtigde heeft.
3. Bij het verzoek worden de volgende documenten gevoegd:
a) een afschrift van de beslissing aan de hand waarvan de echt¬heid kan worden vastgesteld;
b) de verklaring die door het gerecht of de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst is afgegeven door middel van het formulier dat in overeenstemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure is vastgesteld, onver¬minderd artikel 47.
Artikel 47
Niet-overlegging van de verklaring
1. Wordt de in artikel 46, lid 3, onder b), bedoelde verkla¬ring niet overgelegd, dan kan het gerecht of de bevoegde au¬toriteit voor de overlegging een termijn bepalen of gelijkwaar¬dige documenten aanvaarden, dan wel, indien dat gerecht of die autoriteit zich voldoende voorgelicht acht, van de overlegging vrijstelling verlenen.
2. Indien het gerecht of de bevoegde autoriteit dat verlangt, wordt van de documenten een vertaling overgelegd. De vertaling wordt gemaakt door een persoon die in een van de lidstaten tot het maken van vertalingen bevoegd is.
Artikel 48
Uitvoerbaarverklaring
De beslissing wordt uitvoerbaar verklaard zodra de formaliteiten van artikel 46 vervuld zijn, zonder toetsing uit hoofde van artikel 40. De partij tegen wie tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt in deze stand van de procedure niet gehoord.
Artikel 49
Kennisgeving van de beslissing over het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid
1. De beslissing over het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid wordt onmiddellijk ter kennis van de verzoeker gebracht op de wijze als is bepaald in het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging.
2. De verklaring van uitvoerbaarheid wordt betekend aan de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd en gaat vergezeld van de beslissing, indien deze nog niet aan haar is betekend.
Artikel 50
Rechtsmiddelen tegen de beslissing over het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid
1. Elke partij kan een rechtsmiddel instellen tegen de beslissing op het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid.
2. Het rechtsmiddel wordt ingesteld bij het gerecht waarvan de naam door de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 7 8 aan de Commissie is medegedeeld.
3. Het rechtsmiddel wordt volgens de regels van de procedure op tegenspraak behandeld.
4. Indien de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt ge¬vraagd, niet verschijnt voor het gerecht dat over het door de verzoeker ingestelde rechtsmiddel oordeelt, is artikel 16 van toepassing, ook wanneer de partij tegen wie de tenuitvoerleg¬ging wordt gevraagd geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat.
5. Een rechtsmiddel tegen de verklaring van uitvoerbaarheid moet worden ingesteld binnen 30 dagen na de betekening daar¬van. Indien de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt ge¬vraagd woonplaats heeft in een andere lidstaat dan die waar de verklaring van uitvoerbaarheid is gegeven, is de termijn waar¬binnen het rechtsmiddel moet worden ingesteld 60 dagen met ingang van de dag waarop de beslissing aan de partij in persoon of aan haar woonplaats is betekend. Deze termijn mag niet op grond van de afstand worden verlengd.
Artikel 51
Rechtsmiddel tegen een in hoger beroep gegeven beslissing Tegen de op het rechtsmiddel gegeven beslissing kan slechts het rechtsmiddel worden aangewend, waarvan de Commissie over¬eenkomstig artikel 7 8 door de betrokken lidstaat in kennis is gesteld.
Artikel 52
Weigering of intrekking van een verklaring van uitvoerbaarheid
Een verklaring van uitvoerbaarheid wordt door het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in artikel 50 of arti¬kel 51, slechts op een van de in artikel 40 genoemde gronden geweigerd of ingetrokken. Het gerecht doet onverwijld uit¬spraak.
Artikel 53
Aanhouden van de uitspraak
Het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in artikel 5 0 of 51, houdt op verzoek van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, zijn uitspraak aan indien de uitvoerbaarheid van de beslissing is geschorst in de lidstaat van herkomst als gevolg van een daartegen aangewend rechtsmiddel.
Artikel 54
Voorlopige of bewarende maatregelen
1. Indien een beslissing erkend moet worden overeenkomstig dit hoofdstuk, belet niets dat de verzoeker zich beroept op voorlopige of bewarende maatregelen waarin de wetgeving van de lidstaat van tenuitvoerlegging voorziet, zonder dat daar¬toe een verklaring van uitvoerbaarheid in de zin van artikel 48 vereist is.
2. De verklaring van uitvoerbaarheid houdt van rechtswege het verlof in bewarende maatregelen te treffen.
3. Gedurende de termijn voor het instellen van een rechts¬middel overeenkomstig artikel 50, lid 5, tegen de verklaring van uitvoerbaarheid en totdat daarover uitspraak is gedaan, kunnen slechts bewarende maatregelen worden genomen ten aanzien van de goederen van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd.
Artikel 55
Gedeeltelijke uitvoerbaarheid
1. Indien in de beslissing uitspraak is gedaan over meer dan één punt van het verzoek, en de verklaring van uitvoerbaarheid niet kan worden verleend voor het geheel, verleent het gerecht of de bevoegde autoriteit deze voor een of meer onderdelen daarvan.
2. De verzoeker kan vorderen dat een verklaring van uitvoerbaarheid een gedeelte van de beslissing betreft.
Artikel 56
Rechtsbijstand
De verzoeker die in de lidstaat waar de beslissing is gegeven, in aanmerking kwam voor gehele of gedeeltelijke kosteloze rechts¬bijstand of vrijstelling van kosten en uitgaven, komt in de ten¬uitvoerleggingsprocedure in aanmerking voor de meest gunstige bijstand of voor de meest ruime vrijstelling die in het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging is vastgesteld.
Artikel 57
Geen zekerheid, borg of pand
Aan de partij die in een lidstaat de erkenning, uitvoerbaarver¬klaring of tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat ge¬geven beslissing vraagt, kan geen zekerheid, borg of pand, onder welke benaming ook, worden gevraagd op grond van het feit dat hij een buitenlandse onderdaan is of zijn woon- of verblijf¬plaats niet in de lidstaat van tenuitvoerlegging heeft.
Artikel 58
Geen belasting, recht of heffing
Ter zake van de procedure tot verlening van een verklaring van uitvoerbaarheid wordt in de lidstaat van tenuitvoerlegging geen belasting, recht of heffing, evenredig aan het geldelijke belang van de zaak geheven.
HOOFDSTUK V
AUTHENTIEKE AKTEN EN GERECHTELIJKE SCHIKKINGEN Artikel 59
Aanvaarding van authentieke akten
1. Een in een lidstaat verleden authentieke akte heeft in een andere lidstaat dezelfde bewijskracht als in de lidstaat van herkomst, of althans de daarmee meest vergelijkbare bewijs¬kracht, op voorwaarde dat dit niet kennelijk strijdig is met de openbare orde van die andere lidstaat.
Een persoon die van een authentieke akte gebruik wenst te maken in een andere lidstaat, kan de autoriteit die de authen¬tieke akte in de lidstaat van herkomst heeft opgemaakt, ver¬zoeken het in overeenstemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgestelde formulier in te vul¬len, waarin de bewijskracht wordt vermeld die in de lidstaat van herkomst aan de authentieke akte wordt verbonden.
2. De echtheid van de authentieke akte wordt uitsluitend voor een gerecht van de lidstaat van herkomst, volgens het recht van die lidstaat, aangevochten. Een authentieke akte die wordt aangevochten heeft geen bewijskracht in een andere lid¬staat zolang het bevoegde gerecht zich niet heeft uitgesproken.
3. De in de authentieke akte vastgelegde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen worden uitsluitend aangevochten voor de krachtens deze verordening bevoegde gerechten, op grond van het volgens hoofdstuk III toepasselijke recht. Een authentieke akte die wordt aangevochten heeft, wat het bestreden punt betreft, in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst geen bewijskracht zolang het bevoegde gerecht zich niet heeft uitgesproken.
4. Indien de uitkomst van een procedure afhangt van het beslechten van een incidenteel verzoek met betrekking tot de in een authentieke akte vastgelegde rechtshandelingen of rechts¬betrekkingen, is dit gerecht bevoegd om van dat verzoek kennis te nemen.
Artikel 60
Uitvoerbaarheid van authentieke akten
1. Een in de lidstaat van herkomst uitvoerbare authentieke akte wordt in een andere lidstaat op verzoek van een belang¬hebbende partij uitvoerbaar verklaard volgens de procedure die is bepaald in de artikelen 4 5 tot en met 5 8.
2. Voor de toepassing van artikel 46, lid 3, onder b), geeft de autoriteit die de authentieke akte heeft opgesteld op verzoek van een belanghebbende partij een verklaring af door middel van het in overeenstemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgestelde formulier.
3. De verklaring van uitvoerbaarheid wordt door het gerecht dat oordeelt over het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 50 of 51, slechts geweigerd of ingetrokken indien de tenuitvoerlegging van de authentieke akte kennelijk strijdig is met de openbare orde van de lidstaat van tenuitvoerlegging.
Artikel 61
Uitvoerbaarheid van gerechtelijke schikkingen
1. Een in de lidstaat van herkomst uitvoerbare gerechtelijke schikking wordt in een andere lidstaat op verzoek van een belanghebbende partij uitvoerbaar verklaard volgens de pro¬cedure die is bepaald in de artikelen 45 tot en met 58.
2. Voor de toepassing van artikel 46, lid 3, onder b), geeft het gerecht die de gerechtelijke schikking heeft goedgekeurd of waarvoor deze werd gesloten, op verzoek van een belangheb¬bende partij een verklaring af door middel van het in overeen¬stemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegings¬procedure vastgestelde formulier.
3. De verklaring van uitvoerbaarheid wordt door het gerecht dat oordeelt over het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 50 of 51, slechts geweigerd of herroepen indien de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke schikking kennelijk strijdig is met de openbare orde van de lidstaat van tenuitvoerlegging.
HOOFDSTUK VI EUROPESE ERFRECHTVERKLARING Artikel 62
Instelling van een Europese erfrechtverklaring
1. Bij deze verordening wordt een Europese erfrechtverkla¬ring (hierna .erfrechtverklaring") ingesteld, die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt en die de in artikel 6 9 omschreven rechtsgevolgen heeft.
2. Het gebruik van de erfrechtverklaring is niet verplicht.
3. De erfrechtverklaring komt niet in de plaats van de docu¬menten die in de lidstaten voor soortgelijke doeleinden worden gebruikt. Zodra de erfrechtverklaring evenwel, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, is afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt, heeft zij tevens de in artikel 69 omschreven rechtsgevolgen in de lidstaat van afgifte.
Artikel 63
Doel van de erfrechtverklaring
1. De erfrechtverklaring is bestemd voor erfgenamen, recht¬streeks tot de nalatenschap gerechtigde legatarissen en voor executeurs-testamentair of beheerders van de nalatenschap, die zich in een andere lidstaat dienen te beroepen op hun hoeda¬nigheid of de daaraan verbonden rechten en/of bevoegdheden dienen aan te tonen.
2. De erfrechtverklaring kan met name worden gebruikt om het bewijs te leveren van een of meer van het volgende:
a) de rechtspositie en/of de rechten van alle erfgenamen en, in voorkomend geval, alle legatarissen die in de erfrechtverkla¬ring worden genoemd, alsmede hun erfdeel of legaat;
b) de toewijzing van een bepaald goed of bepaalde goederen van de nalatenschap aan de erfgenamen of, in voorkomend geval, de legatarissen die in de erfrechtverklaring worden genoemd;
c) de bevoegdheden van de in de erfrechtverklaring genoemde executeur-testamentair of beheerder van de nalatenschap.
Artikel 64
Bevoegdheid voor het afgeven van de erfrechtverklaring De erfrechtverklaring wordt afgegeven in de lidstaat van wie de gerechten op grond van artikel 4, artikel 7, artikel 10 of arti¬kel 11 bevoegd zijn. De autoriteit van afgifte is:
a) een gerecht in de zin van artikel 3, lid 2, of
b) een andere autoriteit die krachtens het nationale recht be¬voegd is om erfrechtzaken te behandelen.
Artikel 65
Aanvraag van een erfrechtverklaring
1. De erfrechtverklaring wordt afgegeven op verzoek van een van de in artikel 63, lid 1, bedoelde personen (hierna "de aan¬vrager").
2. De aanvraag kan worden ingediend met behulp van het formulier dat in overeenstemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure is vastgesteld.
3. De aanvraag bevat de volgende informatie, voor zover deze de aanvrager bekend is en de autoriteit van afgifte deze nodig heeft om de juistheid van de gegevens te kunnen vast¬stellen, welke de aanvrager gestaafd wil hebben, en gaat ver¬gezeld van alle nodige documenten, hetzij de originele docu¬menten, hetzij afschriften aan de hand waarvan de echtheid ervan kan worden vastgesteld, onverminderd artikel 66, lid 2:
a) de gegevens van de erflater: naam (in voorkomend geval naam bij geboorte), voornaam of voornamen, geslacht, ge¬boorteplaats en -datum, burgerlijke staat, nationaliteit, iden¬tificatienummer (indien van toepassing), adres op het tijdstip van overlijden, datum en plaats van overlijden;
b) de gegevens van de aanvrager: naam (in voorkomend geval naam bij geboorte), voornaam of voornamen, geslacht, ge¬boorteplaats en -datum, burgerlijke staat, nationaliteit, iden¬tificatienummer (indien van toepassing), adres, en eventuele verwantschap met de erflater;
c) in voorkomend geval de gegevens van de vertegenwoordiger van de aanvrager: naam (in voorkomend geval naam bij geboorte), voornaam of voornamen, adres en vertegenwoor¬digingsbevoegdheid;
d) de gegevens van de echtgenoot of partner - en in voor¬komend geval de voormalige echtgenoten of partners - van de erflater: naam (in voorkomend geval naam bij ge¬boorte), voornaam of voornamen, geslacht, geboorteplaats en -datum, burgerlijke staat, nationaliteit, identificatienum¬mer (indien van toepassing) en adres;
e) de gegevens van de andere mogelijke rechthebbenden vol¬gens de uiterste wilsbeschikking en/of volgens de wet: ach¬ternaam en voornaam of voornamen of naam van de or¬ganisatie, identificatienummer (indien van toepassing) en adres;
f) het beoogde doel van de erfrechtverklaring overeenkomstig artikel 63;
g) in voorkomend geval de contactgegevens van het gerecht dat of de andere bevoegde autoriteit die de erfopvolging als zodanig behandelt of heeft behandeld;
h) de elementen waarop de aanvrager zich beroept om in voorkomend geval als rechthebbende aanspraak te maken op goederen van de nalatenschap en/of zijn recht te laten gelden om het testament van de erflater uit te voeren en/of de nalatenschap te beheren;
i) de vermelding dat de erflater al dan niet een uiterste wils¬beschikking heeft; indien noch het origineel, noch een af-schrift is aangehecht, informatie over de plaats waar het origineel zich zou kunnen bevinden;
j) de vermelding dat de erflater een huwelijksovereenkomst/ huwelijkse voorwaarden had gesloten, dan wel een overeen¬komst betreffende een relatievorm waaraan gevolgen wor¬den verbonden welke vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk; indien noch het origineel, noch een afschrift van de overeenkomst is aangehecht, informatie over de plaats waar het origineel zich zou kunnen bevinden;
k) in voorkomend geval de vermelding dat een van de recht¬hebbenden een verklaring van aanvaarding of van verwer¬ping van de nalatenschap heeft afgelegd;
l) een verklaring dat, bij beste weten van de aanvrager, de te staven elementen niet het voorwerp uitmaken van een ge¬schil;
m) alle overige informatie die de aanvrager met het oog op de afgifte van de erfrechtverklaring dienstig acht.
Artikel 66
Behandeling van de aanvraag
1. Na ontvangst van de aanvraag verifieert de autoriteit van afgifte de door de aanvrager verstrekte gegevens, verklaringen, stukken en andere bewijzen. Zij verricht uit eigen beweging het daartoe vereiste en in haar wetgeving voorgeschreven of toe¬gestane onderzoek, of verzoekt de aanvrager alle bewijzen over te leggen die zij verder nodig acht.
2. Indien de aanvrager geen afschriften van de documenten heeft kunnen overleggen die voldoen aan de voorschriften noodzakelijk voor vaststelling van de echtheid ervan, kan de autoriteit van afgifte andere bewijsmiddelen aanvaarden.
3. De autoriteit van afgifte kan, indien en voor zover haar recht daarin voorziet, vereisen dat verklaringen onder ede wor¬den afgelegd, ofwel op erewoord in plaats van een verklaring onder ede.
4. De autoriteit van afgifte doet al het nodige om de recht¬hebbenden op de hoogte te brengen van de aanvraag voor een erfrechtverklaring. Met het oog op het vaststellen van de te staven elementen hoort zij voor zover nodig iedere betrokkene en iedere executeur-testamentair of beheerder en richt zij een openbare oproep tot andere mogelijke rechthebbenden om hun rechten te doen gelden.
5. Voor de toepassing van dit artikel verschaft de bevoegde autoriteit van een lidstaat de autoriteit van afgifte van een an¬dere lidstaat, op haar verzoek, de informatie uit met name het kadaster, de registers van de burgerlijke stand en de registers waarin documenten en feiten die betrekking hebben op de erf¬opvolging of op het huwelijksvermogensstelsel of equivalent vermogensstelsel van de erflater zijn opgenomen, mits de be¬voegde autoriteit volgens het nationaal recht die informatie aan een andere nationale autoriteit zou mogen verschaffen.
Artikel 67
Afgifte van de erfrechtverklaring
1. Zodra de te staven gegevens volgens het op de erfopvol¬ging toepasselijke recht of volgens een ander, specifiek toepas¬selijk recht vaststaan, wordt de erfrechtverklaring volgens de in dit hoofdstuk bepaalde procedure onverwijld afgegeven. De au¬toriteit van afgifte gebruikt daarvoor het formulier dat in over¬eenstemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegings¬procedure is vastgesteld.
De autoriteit van afgifte geeft de erfrechtverklaring in het bij¬zonder niet af indien:
a) de te staven gegevens worden betwist, of
b) de erfrechtverklaring niet in overeenstemming zou zijn met een beslissing betreffende de te staven gegevens.
2. De autoriteit van afgifte doet al het nodige om de recht¬hebbenden op de hoogte te brengen van de afgifte van de erf¬rechtverklaring.
Artikel 68
Inhoud van de erfrechtverklaring
De erfrechtverklaring bevat de volgende gegevens, voor zover deze nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij wordt afgege¬ven:
a) de naam en het adres van de autoriteit van afgifte;
b) het referentienummer van het dossier;
c) de gegevens op grond waarvan de autoriteit van afgifte zich bevoegd acht om de erfrechtverklaring af te geven;
d) de datum van afgifte;
e) de gegevens van de aanvrager: naam (in voorkomend geval naam bij geboorte), voornaam of voornamen, geslacht, ge¬boorteplaats en -datum, burgerlijke staat, nationaliteit, iden¬tificatienummer (indien van toepassing), adres, en eventuele verwantschap met de erflater;
f) de gegevens van de erflater: naam (in voorkomend geval naam bij geboorte), voornaam of voornamen, geslacht, ge¬boorteplaats en -datum, burgerlijke staat, nationaliteit, iden¬tificatienummer (indien van toepassing), adres op het tijdstip van overlijden, datum en plaats van overlijden;
g) de gegevens van de rechthebbenden: naam (in voorkomend geval naam bij geboorte), voornaam of voornamen en iden¬tificatienummer (indien van toepassing);
h) gegevens betreffende de door de erflater gesloten huwelijks¬overeenkomst/huwelijkse voorwaarden of, in voorkomend geval, de door de erflater gesloten overeenkomst in het kader van een relatievorm waaraan volgens het hierop toe¬passelijke recht gevolgen worden verbonden welke vergelijk¬baar zijn met die van het huwelijk en informatie betreffende het huwelijksvermogensstelsel of equivalent vermogensstel¬sel;
i) het op de erfopvolging toepasselijke recht en de gegevens op basis waarvan dat recht is vastgesteld;
j} informatie waaruit kan worden opgemaakt of het gaat om erfopvolging krachtens uiterste wilsbeschikking dan wel erfopvolging bij versterf, daaronder begrepen informatie be¬treffende de gegevens waaruit de rechten en/of bevoegdhe¬den van de erfgenamen, legatarissen, executeurs-testamentair of beheerders van de nalatenschap blijken;
k) in voorkomend geval, vermelding voor elke rechthebbende van de aard van de aanvaarding of verwerping van de na¬latenschap;
1) het erfdeel dat elke erfgenaam toekomt en, in voorkomend geval, de lijst van rechten en/of goederen die elke erfgenaam toekomen;
m) een lijst met de rechten en/of goederen die elke legataris toekomen;
n) de beperkingen die op de rechten van de erfgenaam of erfgenamen en in voorkomend geval, van de legataris of legatarissen rusten volgens het op de erfopvolging toepas¬selijke recht dan wel ingevolge de uiterste wilsbeschikking;
o) de bevoegdheden van de executeur-testamentair en/of de beheerder van de nalatenschap, en de beperkingen die op deze bevoegdheden rusten volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht dan wel ingevolge de uiterste wils¬beschikking.
Artikel 69
Rechtsgevolgen van de erfrechtverklaring
1. De erfrechtverklaring heeft rechtsgevolgen in alle lidstaten zonder dat daartoe een procedure vereist is.
2. De erfrechtverklaring wordt geacht datgene nauwkeurig aan te tonen dat vaststaat volgens het recht dat van toepassing is op de erfopvolging, dan wel volgens enig ander recht van toepassing op specifieke gegevens. Degene die in de erfrecht¬verklaring als erfgenaam, legataris, executeur-testamentair of be¬heerder van de nalatenschap wordt genoemd, wordt geacht de in de erfrechtverklaring genoemde hoedanigheid te hebben en/of de houder te zijn van de in de erfrechtverklaring vermelde rechten of bevoegdheden, zonder andere voorwaarden en/of beperkingen met betrekking tot die rechten of bevoegdheden dan die welke in de erfrechtverklaring vermeld zijn.
3. Eenieder die, handelend op grond van de in de erfrecht¬verklaring geattesteerde informatie, betalingen verricht of een goed overdraagt aan een persoon die in de erfrechtverklaring wordt genoemd als bevoegd om betalingen of goederen in ont¬vangst te nemen, wordt geacht een transactie te hebben verricht met een persoon die bevoegd is betalingen of goederen te ont¬vangen, tenzij hij weet, of door grove nalatigheid niet weet, dat de inhoud van de erfrechtverklaring niet met de werkelijkheid overeenstemt.
4. Indien degene die in de erfrechtverklaring wordt genoemd als bevoegd om over goederen uit de nalatenschap te beschik¬ken, deze goederen aan een ander overdraagt, dan wordt laatst¬genoemde, handelend op grond van de in de verklaring geattes¬teerde informatie, geacht een rechtshandeling te hebben verricht met een persoon die bevoegd is om over de betrokken goederen te beschikken, tenzij hij weet, of door grove nalatigheid niet weet, dat de inhoud van de erfrechtverklaring niet met de wer¬kelijkheid overeenstemt.
5. Onverminderd artikel 1, lid 2, onder k) en 1), is de erf¬rechtverklaring een geldig document voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat.
Artikel 70
Gewaarmerkte afschriften van de erfrechtverklaring
1.