Het proces-verbaal van bezwaren vormt in principe de laatste mogelijkheid voor de partijen om bezwaren in verband met de staat van vereffening-verdeling op te werpen, behalve in geval van akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang (art. 1223, § 4, tweede lid Ger.W.). Zo kunnen de partijen nieuwe bezwaren voor de rechter aanbrengen, indien zij hieromtrent overeenstemming hebben bereikt. Ook indien een nieuw element aan het licht komt dat voor een partij onbekend was op het ogenblik van het verlijden van het proces-verbaal van bezwaren, kan die partij zich tot de rechter wenden.
Determinerend hierbij is of het voor die partij (on)mogelijk is om tijdig bezwaren te formuleren. Nieuwe bezwaren die de openbare orde raken, kunnen eveneens nog voor de rechter worden aangebracht.
Tot slot kan een partij zich tot de rechter wenden wanneer de notaris in gebreke is gebleven, bijvoorbeeld door geen akte te nemen van een regelmatig opgeworpen bezwaar(punt).
Er is geen reden tot wering in lijn met artikel 1220 Ger.W. indien er slechts sprake is van een naderhand gewijzigde rechtsgrond (voor een aanspraak). Een wijziging of aanvulling van de argumenten is niet hetzelfde als een nieuw bezwaar en kan nog steeds worden aangebracht tijdens het debat voor de rechter voor zover men binnen de ‘contouren’ van de aangebrachte bezwaren blijft. In zoverre sprake is van een nieuw argument dat kadert binnen een groter bezwaar dat enkel nader is uitgewerkt, verdiept of geconcretiseerd middels dit argument gaat het om een toelaatbaar argument.
Een bezwaar vereist een inhoudelijke reflectie met een (beknopte) toelichting van middelen/grieven waarom niet akkoord wordt gegaan met de inhoud van de staat van vereffening-verdeling. Een loutere herneming van aanspraken/vorderingen is dat niet.
Een bezwaar is het geschrift/procedurestuk waarmee een partij aangeeft het oneens te zijn met de staat van vereffening-verdeling: het geldt als de (schriftelijke) veruitwendiging of documentering van de tegenspraak (of de kritiek) van een partij tegen deze vereffeningsstaat.
Het gaat niet op ten tijde van de bezwarenprocedure voor de notaris- vereffenaar een alomvattend vaag bezwaar te formuleren zonder een en ander te concretiseren. Bezwaren dienen immers in de eerste plaats op het notariële terrein te worden geformuleerd en geconcretiseerd, met punctuele aanduiding van wat aan de geviseerde staat van vereffening-verdeling zou moeten wijzigen. Het is niet aan de (appel)rechter om een weinig concreet bezwaar te verfijnen.
Dit laatste was in wezen niet anders onder gelding van het recht van vóór de wet van 13 augustus 2011. Ook toen werd reeds gesteld dat de partij die niet akkoord gaat moet aanduiden met welke punten van de staat van vereffening- verdeling die de notaris-vereffenaar opstelde, ze niet akkoord kan gaan en waarom. De notaris-vereffenaar dient immers de motieven te kennen zodat hij zich ten volle van zijn taak in de gerechtelijke verdeling kan kwijten en een gefundeerd advies kan geven aan de rechter.
Dat daarbij redenen/motieven/argumenten worden aangehaald of gebeurlijk hernomen die reeds werden geformuleerd in een eerdere nota is geen pijnpunt.
Artikel 1223 § 4, tweede lid Ger.W. viseert de hypothese waarbij nieuw ontdekte feiten/stukken (van overwegend belang) en/of (daaruit voortvloeiende) nieuwe bezwaren tegen de staat van vereffening-verdeling voor de eerste maal voor de rechter worden opgeworpen. Los van deze hypothese(n), kunnen de partijen, mede in het licht van de artikelen 1220, § 1 en 1222 Ger.W., in de regel voor de (appel)rechter geen nieuwe stukken bijbrengen tot staving van de regelmatig voor de notaris- vereffenaar aangebrachte bezwaren..
Een partij kan geen nieuwe stukken voorbrengen tot staving van een bezwaar behoudens nieuw ontdekte stukken of documenten die de openbare orde raken.
Artikel 1220, § 1 Ger.W. bepaalt dat, behoudens akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang, de notaris-vereffenaar geen rekening houdt met aanspraken, opmerkingen en stukken die na het verstrijken van de met toepassing van artikel 1217 overeengekomen termijnen of de in artikel 1218, § 1 en § 2 bepaalde termijnen zijn aangebracht.
Artikel 1223, § 4, tweede lid Ger.W. bepaalt voorts dat, behoudens akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe stukken van overwegend belang, de rechtbank enkel kennis neemt van de geschillen of moeilijkheden voortvloeiend uit het proces-verbaal van bezwaren.
Zoals hierboven aangehaald kunnen de partijen, los van deze hypothese(n), in de regel voor de (appel)rechter geen nieuwe stukken bijbrengen tot staving van de regelmatig voor de notaris-vereffenaar aangebrachte bezwaren.
In deze fase van de procedure kunnen derhalve nieuwe stukken in beginsel niet meer dienen om aanspraken voor het eerst te staven.
Het voorgaande verhindert evenwel niet dat (nieuwe/bijkomende) stukken worden aangewend in het kader van de uitoefening van het recht van verdediging, onder andere ter weerlegging van een bezwaar of ter weerlegging van de argumentatie die pas voor het eerst in deze fase voor de rechter wordt ontwikkeld.
Nieuwe stukken kunnen in deze fase wel worden aangewend, niet om aanspraken voor het eerst te staven, wel om een nieuw (toegelaten) bezwaar te weerleggen of om argumentatie te weerleggen die pas voor het eerst in deze fase voor de rechter werd ontwikkeld.
Het komt er derhalve op neer dat nieuwe/bijkomende stukken uitzonderlijk toch kunnen worden aanvaard in het kader van de uitoefening van het recht op verdediging tot weerlegging van nieuw voor de rechter ontwikkelde argumentatie of nieuwe toegelaten bezwaren.
Een wijziging of aanvulling van de argumenten is niet hetzelfde als een nieuw bezwaar en kan nog steeds worden aangebracht tijdens het debat voor de rechter voor zover men binnen de ‘contouren’ van de aangebrachte bezwaren blijft.
Een zogenaamd kostcontract waarbij de tegenprestatie voor een goed bestaat in het voorzien in voeding, logement en verzorging van de vervreemder tijdens zijn leven/tot zijn overlijden kan in beginsel als een kanscontract worden gekwalificeerd mits het aleatoir karakter afdoende aanwezig is, aangezien dit essentieel is om te kunnen spreken van een kansovereenkomst. Hiervan is geen sprake wanneer het kostscontract voor een beperkte duur van bv. 3 jaar werd afgesloten.
Krachtens het (oude) artikel 792 BW (zoals van toepassing voor de nieuwe Huwelijksgoederenwet/Erfrechtwet van 22 juli 2018, °1 september 2018) verliezen erfgenamen die goederen van een nalatenschap hebben weggemaakt of verborgen gehouden, hun erfkeuze.
Ook al verwerpen ze de nalatenschap, toch blijven ze zuiver erfgenaam, zonder op enig aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden goederen aanspraak te kunnen maken.
Heling van erfgoederen omvat elk maneuver met betrekking tot nalatenschapsgoederen dat door een erfgenaam te kwader trouw wordt gesteld en dat tot gevolg kan hebben dat de rechten van de mede-erfgenamen en/of schuldeisers van de nalatenschap worden geschaad.
Dergelijk maneuver kan onder vele gedaanten, zoals (1) de onrechtmatige toe-eigening van nalatenschapsgoederen, (2) het afleggen van een valse verklaring met betrekking tot de samenstelling van de nalatenschap en (3) het opzetten (gebeurlijk samen met de erflater) van constructies.
Heling onderstelt vier voorwaarden, inzonderheid (1) het wegmaken of verborgen houden van goederen, (2) die tot de opengevallen nalatenschap behoren, (3) met bedrieglijk inzicht (4) door een erfgenaam. De in artikel 792 oud BW bedoelde sanctie kan evenwel vervallen (1) wanneer de heler zich spontaan en tijdig bedenkt of (2) wanneer de mede-erfgenamen de sanctie verzaken.
De (mede-)erfgenaam die de in artikel 792 oud BW bedoelde sanctie inroept, draagt de bewijslast.
Het wegmaken van goederen onderstelt een onrechtmatige actieve houding, terwijl het verborgen houden van goederen doelt op een onrechtmatige passieve houding.
De heling moet betrekking hebben op nalatenschapsgoederen. Tot de nalatenschap behoren niet enkel de bestaande goederen en de schuldvorderingen, maar ook alle giften, ongeacht of ze al dan niet met vrijstelling van inbreng gebeurden.
Giften binnen of buiten erfdeel moeten in hun geheel worden aangegeven en derhalve niet enkel ten belope van het in te korten deel.
Heling kan zijn oorsprong vinden in bedrieglijke maneuvers die dagtekenen van vóór het openvallen van de nalatenschap, met dien verstande dat, zolang de nalatenschap niet is opengevallen, er van heling geen sprake kan zijn.
Cruciaal is het bedrieglijke opzet. Opdat van heling sprake kan zijn, is vereist dat de erfgenaam te kwader trouw handelde.
Niet elk bedrog wordt gesanctioneerd, maar enkel de doelbewuste en gewilde handeling die erop was gericht (1) zich of derden een bijzonder voordeel te verschaffen ten nadele van zijn mede- erfgenamen en (2) de gelijkheid tussen de erfgenamen te verstoren of de schuldeisers van de nalatenschap te bedriegen. De goede trouw van de erfgenaam kan derhalve heling uitsluiten.
Weliswaar geldt een positieve meldingsverplichting. Elke erfgenaam moet spontaan melding maken van (1) alle rechtstreeks of onrechtstreeks van de erflater ontvangen elementen en (2) alle vóór of na het overlijden uit de te verdelen massa voorafgenomen elementen. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor gelden op een bankrekening, gebeurlijk een gezamenlijke bankrekening op naam van de erflater en een erfgenaam.
Een notariële boedelbeschrijving in de zin van artikel 1183 (inz. sub 10° en 11°) Ger.W. is relevant maar geen conditio sine qua non voor de toepassing van de in artikel 792 oud BW bedoelde sanctie.
De onderliggende basis van artikel 792 oud BW is de goede trouw die de erfgenamen als deelgenoten tegenover elkaar hebben. Op de erfgenamen rust de verplichting om elkaar van in het begin juiste en volledige informatie te verschaffen.
Luidens artikel 1993 oud BW is iedere lasthebber gehouden rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht en aan de lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht heeft ontvangen. De erfgenaam/rechtverkrijgende van de lastgever, in casu S.D., kan uitvoering van deze plicht vorderen.
Deze plicht om rekenschap af te leggen behelst naast een informatieplicht (waar nodig) ook een teruggaveplicht van de in het raam van de opdracht ontvangen fondsen.
Met toepassing van artikel 1315, tweede lid oud BW draagt de lasthebber de bewijslast van de beweerde uitvoering of het tenietgaan van deze verbintenis.
Het verlenen van rekenschap is niet aan vormvereisten onderworpen, dit kan zowel schriftelijk als mondeling gebeuren. De lasthebber dient evenwel aan zijn bewijslast te voldoen volgens de strikte bewijsregeling van het BW.
Krachtens het BW dient de lasthebber tot bewijs van de nakoming van diens informatie- en teruggaveplicht voor de bedragen boven het grensbedrag (voorheen 375,00 euro en thans 3.500 euro) in principe een schriftelijk bewijs voor te leggen.
In uitzonderlijke gevallen kan er sprake zijn van een morele onmogelijkheid om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen.
Dergelijke morele onmogelijkheid mag slechts worden aanvaard met omzichtigheid en om ernstige redenen.
Anders wordt het bewijsrecht volledig van zijn draagwijdte ontdaan.
De (zeer) nauwe familieband tussen een ouder en een kind als dusdanig volstaat niet om te besluiten tot de bedoelde morele onmogelijkheid. Er dienen bijkomende, specifieke omstandigheden te zijn waardoor een lasthebber van het vereiste bewijs door geschrift is ontslagen.